Nederlanders hadden aandeel in zending India

Standbeeld van Ferdinand Kittel in Bangalore in India. beeld Wikimedia
2

In India wonen meer christenen dan in Nederland. Aan de komst van het christendom in India hebben ook Nederlanders een bijdrage geleverd. Dat wordt duidelijk uit een onlangs verschenen boek over hindoeïsme in India.

Dr. Jan Peter Schouten, emeritus predikant van de Protestantse Kerk in Nederland, heeft een bijzondere relatie met India, zo vertelt hij in zijn huis in Naarden, dicht bij de vesting. In zijn jonge jaren studeerde hij theologie en sociologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. „Het boeit me om te bestuderen wat godsdienst doet met een samenleving. Dat kun je goed zien in India. Ik ben dan ook gepromoveerd op een Indiase beweging.”

Dr. Schouten is voorzitter van de Beraadgroep Interreligieuze Ontmoeting van de Raad van Kerken in Nederland. In die ontmoeting speelt het hindoeïsme in India een rol.

De ontmoeting van Europeanen met het hindoeïsme was er aanvankelijk vooral een in het kader van de zending, zo blijkt uit zijn boek ”Aangenaam kennis te maken. De ontmoeting van Europeanen met het hindoeïsme in India”. Vanaf de zestiende eeuw kwamen de rooms-katholieke Portugezen in India. Daarna kwamen zendelingen en missionarissen uit allerlei Europese landen, onder meer uit Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Ook Nederlanders droegen een steentje bij.

De belangrijkste van hen komen in het boek van dr. Schouten aan bod, waarbij er bijzondere aandacht is voor de relatie met de hindoeïstische cultuur. De Italiaan in Portugese dienst Roberto de Nobili (1577-1657) was de eerste die begreep dat een missionaris de leefwijze van het te kerstenen volk moet kennen. Hij paste zich zo sterk aan dat hij vegetarisch ging eten, zich kleedde als een Indiase asceet en zich baadde volgens Indiaas gebruik. Met de brahmanen, de priesterkaste, voerde hij filosofische en godsdienstige gesprekken. Hij kreeg meer tegenstand vanuit de Rooms-Katholieke Kerk dan vanuit het hindoeïsme.

VOC

De Nederlander Abraham Rogerius (1609-1649) was in dienst van de VOC en schreef een overzichtswerk over het hindoeïsme, ”De Open-Deure Tot het Verborgen Heydendom”. Hij was predikant in de nederzetting Paliacatta of Pulicat aan de oostkust van India, de hoofdvestiging van de VOC in de Coromandel. Zijn boek was 200 jaar lang het handboek bij uitstek over het hindoeïsme.

Zendelingen van alle tijden begrepen dat het nodig was om de taal van het land te leren. Ferdinand Kittel (1832-1903) blonk daarin uit. De Duitser was in dienst van de Basler Mission, een piëtistische zendingsorganisatie uit Zwitserland. Als dank voor zijn werk werd in 2001 een levensgroot bronzen standbeeld van hem onthuld dat was opgericht door de Indiase deelstaatregering. Hij is weergegeven in predikantentoga, met de hand op de Bijbel.

Kittel werd echter niet in de eerste plaats als geëerd verkondiger van de Bijbelse boodschap maar vanwege zijn taalkundige verdiensten. Hij stelde een alomvattend woordenboek Kannada-Engels samen dat nog steeds wordt gebruikt.

Protestantse zendelingen

De eerste echte protestantse zendelingen in India waren in de achttiende eeuw de Duitsers Bartholomäus Ziegenbalg en Heinrich Plütschau, die in dienst waren van de Deense Oost-Indische Compagnie. Zij waren niet betrokken bij het pastoraat onder het personeel van een handelsonderneming zoals Rogerius, maar hadden als enige opdracht de verkondiging van het Evangelie. Ze hadden gestudeerd aan de universiteit van Halle, het centrum van het piëtisme, en werden gevormd door August Hermann Francke, bij wie de persoonlijke bekering centraal stond.

Er verrees een kerkje bij het Deense fort Tranquebar, waar de predikanten elke zondag in het Portugees en het Tamil preekten. Omdat ze regelmatig verslagen naar Halle stuurden, die gepubliceerd werden in het tijdschrift Hallesche Berichte, is hun werk bekend gebleven.

Met een verwijzing naar Kittel zegt dr. Schouten dat zendelingen wel degelijk grote bijdragen geleverd hebben aan de kennis van de taal van een bepaald land. „Academici bagatelliseren het werk van de zendelingen op taalkundig gebied nogal eens, alsof het alleen taalwetenschappers geweest zouden zijn die de taal in kaart brachten. Kittel bracht het Kannada, een van de talen in India, in kaart door de mensen op straat aan te spreken. Tientallen jaren achtereen schreef hij nauwkeurig op wat elk woord betekende. Het resulteerde in een compleet woordenboek van 70.000 woorden in vier dikke delen.”

Dr. Schouten heeft ook kritiek op een andere stelling, namelijk dat de VOC geen aandacht zou hebben gehad voor de zending. „Toen de Britten heer en meester waren in India waren zendelingen er niet altijd welkom. Zij vonden zendelingen lastig omdat ze de belangen van de handel konden schaden. De Nederlanders hebben dat in India echter niet zo gedaan.”

Ds. Rogerius was de man die het overzichtswerk ”De Open-Deure Tot het Verborgen Heydendom” over het hindoeïsme publiceerde. „Deze predikant had twee taken”, zegt dr. Schouten. „In de eerste plaats moest hij zorgen voor het pastoraat onder de eigen mensen van de VOC. Daarnaast moest hij zending bedrijven onder de inheemse bevolking. Bij het fort Geldria woonden inlanders die in vroeger tijd door de Portugezen tot het christendom bekeerd waren. Rogerius zette zich ook voor hen in. Hij doopte hun kinderen en leidde begrafenissen. Voor hen hield hij op zondagmiddag diensten in een kerkje in het fort, waarbij hij in het Portugees preekte.

Rogerius zocht ook contact met de brahmanen. Toen een van hen moest vluchten vond hij onderdak in het fort en vertelde hij Rogerius van alles over het hindoeïsme. Hij was een belangrijke bron voor zijn boek. In het voorwoord spreekt Rogerius met respect over hindoes en geeft hij aan dat de VOC-bestuurders moreel verplicht zijn zich voor de zending te interesseren. Bij Rogerius gingen respect en zending samen.”

Is er in het Indiase christendom nog iets terug te zien van het werk van de zending?

„Ik ben diverse keren in India geweest en kwam eens in een afgelegen dorp. Daar zag ik jonge meisjes die als schooluniform jurkjes van geblokte stof aan hadden. Ze zouden zo weggelopen kunnen zijn uit Zwitserland. Ik vermoed dat deze kerk gesticht is door de Basler Mission. Meer in het algemeen kun je zeggen dat de meeste christenen in India de nakomelingen zijn van mensen die in de negentiende en twintigste eeuw door de zending vanuit Europa tot bekering gekomen zijn en dat zijn er heel wat. In India wonen ongeveer 24 miljoen christenen, meer dan het totaalaantal inwoners van Nederland.”

Hoe staat het er nu voor met het christendom in India?

„Het protestantisme heeft met name in Zuid-India een sterk oecumenische inslag. Daar hebben bijna alle protestantse kerken zich verenigd in de Church of South India. Deze kerk onderhoudt goede contacten met andere christelijke kerken, zoals de Rooms-Katholieke Kerk.

De Church of South India heeft veel aandacht voor de dalits, de groep van de kastelozen, die in India in het verleden enorm gediscrimineerd is. De boodschap van het Evangelie was bevrijdend voor hen. Zij kwamen erachter dat zij in de ogen van God de moeite waard waren. Een groot aantal dalits geeft leiding in de kerk.

Anderzijds kun je constateren dat de christelijke kerk in India steeds meer onder druk komt te staan door de toename van het hindoenationalisme. Dat leidt soms tot vervolging van christenen, afhankelijk van het gebied.

Het christendom in India is volgens mij zeer vitaal. De kerken zitten vol, soms staan er buiten de kerk banken om de mensen de gelegenheid te geven de dienst te volgen. Ik geloof dat God Zijn kerk in India in stand houdt, maar niemand weet hoe dat gebeurt.”

Donderdag 17 januari verschijnt in RD Donderdag een recensie van het boek van dr. Schouten.