Met veel liefde ontvangen in de kerk

Overtuigd
Michiel Oldenhof kwam elf jaar geleden voor het eerst in de gereformeerde gemeente van Nunspeet. „Er gebeurde iets wat hij niet had verwacht: ik wilde na elke dienst meer horen.” beeld André Dorst
2

„Ga maar eens luisteren.” Dat advies kreeg Michiel Oldenhof elf jaar geleden van een collega. Hij volgde de raad op en stapte de gereformeerde gemeente van Nunspeet binnen. „Eerst werden al mijn vooroordelen bevestigd. Maar toen ging ik luisteren. En wilde ik alleen maar meer horen.” Inmiddels heeft de Nunspeter „de hele Reformatie in tien jaar tijd meegemaakt.”

Als kind werd Oldenhof (49) rooms-katholiek opgevoed. „Tot mijn zestiende ben ik naar de Rooms-Katholieke Kerk gegaan. Daarna ging ik niet meer.” Bij een vorige werkgever kwam Oldenhof in contact met collega’s die nog wel iedere zondag de kerk bezochten. „Zij waren veelal lid van reformatorische kerken. Ik zag hen bijvoorbeeld bidden voor het eten. Van iemand werd gezegd dat hij bekeerd was. Daar stelde ik eens gerichte vragen over, als een echte verkoper, recht op de man af. Zonder te beseffen hoe persoonlijk dat onderwerp eigenlijk is.”

Die periode was een roerige tijd. Oldenhof zat in de afronding van een echtscheiding. „Tegelijkertijd zocht ik naar meer zingeving in het leven, maar ik wist niet waar ik die zoeken moest.” Een collega, zijn latere vrouw, merkte de interesse van Oldenhof op en gaf hem het advies om eens een keer naar de kerk te gaan. Zo kwam het dat hij op een zondagmorgen naar de gereformeerde gemeente van Nunspeet liep. Tenminste, dat dacht hij. „Ik bleek het verkeerde steegje te zijn ingelopen en kwam in de gereformeerde kerk terecht. Het kwam al wat vreemd op mij over dat geen enkele dame een hoed droeg en er niemand in zwarte kleding zat. ’s Middags ben ik alsnog naar de ”gergem” gegaan.”

De kerkdienst, waarin de Nunspeetse predikant ds. A. Schot voorging, maakte diepe indruk. „Eerst werden al mijn vooroordelen bevestigd: mensen in het zwart, vrouwen met hoedjes en chagrijnig kijkende mensen. Ik wist niet wat er gebeurde. Aan het begin van de dienst kwam er in mijn ogen een soort zwarte brigade binnenlopen. Dat bleek de kerkenraad te zijn. En de gedragen toon waarop de dominee het votum uitsprak, kwam op mij heel apart over.”

Toch kon Oldenhof tijdens het gebed en de preek goed luisteren. Hij bleef naar de kerk komen. „Er gebeurde iets wat ik nooit had verwacht: ik wilde na elke dienst meer horen.” Hij voerde een aantal gesprekken met ds. Schot en de kerkenraad. „Daar ben ik met open armen en heel veel liefde ontvangen. Niets was de ouderling en de predikant te veel. Een mailtje, een belletje, een gesprek, het was allemaal mogelijk.”

Belijdeniscatechisatie

Al snel ging Oldenhof belijdeniscatechisatie volgen. „Eerst ging ik naar de gewone catechisatie, maar het leeftijdsverschil met de rest van de groep bleek te groot. In overleg met ds. Schot ben ik naar de belijdenisgroep gegaan. Dat was een prachtige tijd.” Met instemming van de kerkenraad deed Oldenhof belijdenis van het geloof. „En ik heb ook schuldbelijdenis gedaan.”

Oldenhof heeft veel bewondering voor de manier waarop de kerkenraad met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden is omgegaan. „Het is goed dat er duidelijke kerkelijke regels zijn waar mensen zich aan hebben te houden. Wat dat betreft hebben de mannen van de kerkenraad het niet gemakkelijk. Zij zijn zo vaak het onderwerp van discussie, in de negatieve zin van het woord. Maar ga er maar eens aan staan, wat die mensen allemaal voor hun kiezen krijgen. Ik neem mijn petje daarvoor af.”

Inmiddels heeft Oldenhof zijn plek in de kerk aan de Brinkersweg wel gevonden. „Al duurt zoiets natuurlijk best even. Ik heb het hart op de tong en ik was toch wel een vreemde eend in de bijt.”

Het gaat de Nunspeter er zeker niet om dat hij zelf in de belangstelling staat. „Het gaat niet om mij, maar om een positief geluid. Ik wil vertellen dat het zomaar kan gebeuren dat iemand van buiten de kerk de begeerte krijgt om bekeerd te worden. Een paar keer ben ik gevraagd als spreker bij de jeugdvereniging. Toen kon ik uit eigen ervaring aan de jongeren vertellen dat je het van de wereld niet hoeft te verwachten.”

Als spreker krijgt hij weleens te horen dat de jeugd „van alles moet.” De jongeren krijgen een gevat antwoord: „Draai het eens om. Stel je voor dat je geen kaders hebt. Met de kennis van Noach en Lot in je achterhoofd: zul je ontkomen of omkomen?”

Popliedje

Om dat te onderstrepen zette Oldenhof tijdens een bijeenkomst de tekst van Psalm 43:4 in de berijming tegenover een popliedje met ”Highway to hell” als titel. „We zijn op reis, maar waar ga je naartoe? Naar de hemel of naar de hel? Toen ik de ”Christenreis” van Bunyan las, op advies van ds. Schot, waren er veel dingen die ik herkende. Dat trekken van de wereld, waardoor de pelgrim steeds van die weg dreigt af te raken.”

Het is daarom volgens Oldenhof noodzakelijk dat in de kerk tijdens de preek voor de wereld wordt gewaarschuwd. „Sommige mensen kunnen zo’n prediking heel gelaten aanhoren of zelfs in slaap vallen. Ik kan me dat niet voorstellen. Daarmee bedoel ik niet mezelf te verheffen, integendeel. Ik heb jarenlang die wereld doorleefd en beleefd. Ik heb gezien dat het gaat om het eigen ik, om eer, macht en geld.

We willen elkaar, ook in de reformatorische kring, zo graag de maat nemen. Ik vind het opvallend hoe weinig we met elkaar spreken over de preek of over wie de Heere voor ons is. We gaan maar snel weer over tot de orde van de dag. Dat is wereldgelijkvormigheid. En de wereld staat voor opgaan, blinken en verzinken.”

In dat kader vindt Oldenhof de les van ds. Smijtegelt zeer wijs. „Die oudvader zei altijd: „Spant u een weinig in.” Ik zeg dan: je moet in de regen lopen om nat te worden. Dan moet je in de kerk niet gaan zitten pitten. En niet te veel letten op een ander. Als straks de dag des oordeels komt, gaat het ook niet om wat de ander wel of niet doet. Het gaat erom dat bij jou je zonden tot zonde zijn geworden. Al wist ik ook niet wat dat betekende. En als ik mezelf elf jaar geleden deze woorden had horen zeggen, had ik waarschijnlijk schamper gelachen.”

Op de werkvloer staat Oldenhof midden in de wereld. „Dat is een hele uitdaging. Maar we mogen ons best wat weerbaarder opstellen. Een tijd geleden preekte ds. Schot over de brief aan de gemeente van Laodicea in Openbaring 3. Daarin waarschuwt de Heere Jezus voor de lauwheid van die gemeente. We mogen elkaar onderling best wat meer opscherpen. Laatst hadden we een leespreek over Handelingen 8. Daar staat dat de gemeente zwaar vervolgd werd door Saulus en verstrooid door Judea en Samaria. In die gebieden verkondigden zij het Woord. Moet je nagaan. Dan zijn wij vaak maar zwakkelingen die genoeg hebben aan onszelf. Wij zijn verblind door het wereldse genot dat de welvaart ons brengt en dat de duivel ons vilein laat inademen.”

Mosterdzaadje

Bij een van de eerste keren dat de Nunspeter in de kerk kwam, hoorde hij de predikant spreken over een geloof als een mosterdzaadje. „Hé, dacht ik, dat heb ik ook. Dat gaat over mij. Maar toen wist ik nog niet wat die uitdrukking betekende.” Inmiddels heeft hij meer Bijbelkennis. „Ik ben nog steeds bezig met het verzamelen van kennis en het ordenen daarvan in mijn hoofd. Maar er is ook iemand geweest die tegen mij heeft gezegd: „Ik hoop dat wat je in je hoofd hebt zitten, ook twee voet lager gaat zitten – in je hart.” Dat het gaat om een waar geloof, dat je dat van jezelf niet hebt, wist ik eerst helemaal niet.”

Een preek van ds. G. van Manen uit Elspeet komt in herinnering. „Ik weet niet hoe vaak hij het tijdens zijn preek heeft gezegd, maar telkens herhaalde hij: „Alles van ons is tekort. Tekort. Tekort. Tekort.” Ja, dat klopt. Dat ben ik. Zo heb ik een groot deel van mijn leven doorgebracht. En ik kijk uit naar de dag dat ik Christus mag leren kennen. Dat is materie die je de hele dag bezighoudt. Dat is geen last, maar iets heel moois.”

Verrast door diep respect voor regels

Ds. A. Schot, predikant van de gereformeerde gemeente te Nunspeet, weet nog goed hoe Michiel Oldenhof zich bij de kerkenraad meldde. „We namen de nodige voorzichtigheid in acht. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we niet zo scheutig waren in het doen van toezeggingen. De ervaring heeft geleerd dat mensen soms bijbedoelingen hebben met hun kerkelijke belangstelling.

Ik durf met vrijmoedigheid te zeggen dat Oldenhofs intenties oprecht waren. Wat mij verraste, is het diepe respect dat hij toonde voor de regels binnen de kerk. Je verwacht dat eigenlijk niet van iemand die van buitenaf komt. Hij boog voor ieder besluit dat de kerkenraad nam. Daarin is hij tot een voorbeeld van veel kerkmensen in onze tijd. Hij wenste zich te voegen naar het Woord van God, de belijdenis van de kerk en de regels van de kerkorde. Oldenhof illustreert voor mij dat iemand op regels niet afknapt als hij echt belangstelling heeft voor de waarheid. Om zo iemand te behouden, hoef je geen water bij de wijn te doen.”

Ds. Schot was verwonderd over de „hartelijke belangstelling” die Oldenhof had voor de leer. „Je merkt dat iemand die zich zo bij de kerk voegt een heel bewuste keuze maakt. Je zou wensen dat alle kerkmensen het Woord zo indronken als iemand die zich vrijwillig onder de prediking zet. Soms schaam je je dan voor mensen die erbij opgegroeid zijn en nooit een bewuste keuze hebben gemaakt. Dat moet een teleurstelling zijn voor mensen die van buiten de kerk komen. Ook zijn mensen als Oldenhof zich vaak meer bewust van de gevaren die het wereldse leven met zich meebrengt dan wij.”

Oldenhof stelde volgens ds. Schot tijdens de belijdeniscatechisatie vragen die vaak bevindelijk van aard waren. „Dat was leerzaam voor de andere belijdeniscatechisanten. Het doet me goed om te lezen dat hij ernaar uitziet dat hij mag komen tot de bevindelijke kennis van de Zaligmaker. Laten al onze kerkmensen dat ter harte nemen.”

zomerserie overtuigd

Tegen de trend van kerkverlating en geloofsafval in raakt het Evangelie harten. Het Reformatorisch Dagblad luistert deze zomer naar verhalen over een onverwachte wending. Deel 5: Michiel Oldenhof.