Meer vrouwen dan mannen in de kerk

beeld Getty Images/iStockphoto
2

In vrijwel alle kerken komt men meer vrouwen dan mannen tegen. Zowel als je kijkt naar het lidmaatschap als naar de kerkgang. Soms is het verschil beperkt, soms is het aanzienlijk. Of men nu wel of niet vrouwelijke ambtsdragers heeft, staat daar los van. Wel zou de emancipatie van de vrouw hier van invloed kunnen zijn.

De 17e eeuwse predikant Willem Teellinck, wel betiteld als de vader van de Nadere Reformatie, moest in zijn tijd al constateren dat meer vrouwen dan mannen zich tot de gemeente des Heeren begaven. Vier eeuwen later valt waar te nemen dat bij belijdenisdiensten veelal meer vrouwen dan mannen hun jawoord uitspreken.

Alleen de Gereformeerde Gemeenten geven in hun kerkelijke statistiek een uitsplitsing van mannen en vrouwen. In 2016 legden daar 648 mannen en 700 vrouwen belijdenis af.

Volgens het laatste jaarboek telde dit kerkverband op 31 december 2016 32.234 vrouwelijke belijdende leden en slechts 27.493 mannelijke. In procenten uitgedrukt: 54 procent vrouwen en 46 procent mannen. Tien jaar eerder was die verhouding vrijwel hetzelfde: 54,4 procent vrouwen en 45,6 procent mannen.

Vergrijzing

Daarbij moeten we wel bedenken dat de oudere leeftijdsgroepen duidelijk meer vrouwen dan mannen tellen. In een bejaardenhuis kom je overwegend vrouwen tegen. Sterk vergrijsde kerken (de Gereformeerde Gemeenten zijn dat niet) hebben daardoor natuurlijkerwijs een aanzienlijk vrouwenoverschot.

In de Christelijke Gereformeerde Kerken ligt het sterftecijfer belangrijk hoger dan in de Gereformeerde Gemeenten of de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Iets hoger ook dan het landelijke sterftecijfer. Dat wijst op een sterkere vertegenwoordiging van de oudere leeftijdsgroepen, met als gevolg een groter vrouwenoverschot.

Een andere factor waarmee we rekening moeten houden is dat vrouwelijke doopleden over het algemeen op wat jongere leeftijd belijdenis doen dan mannelijke. Daar zit vaak wel een à twee jaar verschil tussen. Ze trouwen ook meestal op wat jongere leeftijd.

Dat verklaart voor een deel waarom kerken meer vrouwelijke dan mannelijke belijdende leden hebben. Bij de Gereformeerde Gemeenten kun je ongeveer een kwart van het vrouwenoverschot onder de belijdende leden daaraan toeschrijven.

Doopleden

Onder de doopleden van dit kerkverband zijn de mannen oververtegenwoordigd. Eind 2016 waren er om precies te zijn 25.579 mannelijke doopleden en 22.344 vrouwelijke. Tien jaar eerder was er ook een verschil van iets meer dan drieduizend.

Nu worden er wel iets meer jongens geboren dan meisjes, maar dat verklaart op geen enkele manier dit forse verschil. Van belang is wel dat vrouwen op jongere leeftijd belijdenis doen. Van die drieduizend vrouwen die er te ‘weinig’ zijn, kunnen ruim duizend daaraan toegeschreven worden.

Het grootste deel van het mannenoverschot onder de doopleden van de Gereformeerde Gemeenten wordt echter gevormd door vaak wat oudere doopleden die niet of nauwelijks meer kerkelijk meelevend zijn. Soms doen ze alsnog belijdenis, maar veelal geldt dat ze zich na verloop van tijd aan de gemeente onttrekken of door de scriba als dooplid worden afgevoerd. Een deel wordt onkerkelijk, een ander deel gaat over naar een kerkverband waar het minder strikt en streng is.

Maatschappelijke factoren

De grotere kerkelijke betrokkenheid van vrouwen werd vroeger nogal eens toegeschreven aan de sterkere affiniteit ten opzichte van godsdienstige gevoelens en overtuigingen die zij zouden hebben. Godsdienstsociologen en godsdienstpsychologen zijn daar tegenwoordig heel terughoudend in.

Misschien is er iets van waar. Ook onder de aanhangers van ongebonden spiritualiteit zijn de vrouwen oververtegenwoordigd. Maatschappelijke factoren zijn echter veel belangrijker.

Sinds jaar en dag is duidelijk dat processen van assimilatie (aanpassing aan de omringende cultuur) en secularisatie meer vat hebben op mannen dan op vrouwen. Dat heeft te maken met het feit dat mannen, althans tot voor kort, hoger opgeleid zijn en door hun beroepsarbeid sterker betrokken zijn bij de maatschappij. Daardoor ondergaan zij meer dan vrouwen de invloeden van de bredere samenleving en komen zij vaak kritischer te staan ten opzichte van het milieu van herkomst.

Volkstellingsgegevens laten zien hoezeer dat ook in het verleden het geval was. Volkstellingen –de laatste werd in 1971 gehouden– geven vaak interessante tijdreeksen, ook als het gaat om de kerkelijke samenstelling van de bevolking. Zo wordt daaruit duidelijk dat de onkerkelijkheid altijd sterker was onder mannen dan onder vrouwen.

Aan het eind van de 19e eeuw, toen de onkerkelijkheid zich in Nederland voor het eerst manifesteerde, was dat in een verhouding van drie vrouwen tegenover vier mannen. In de loop der jaren werden de verschillen naar geslacht kleiner. In 1971 stonden tegenover 100 vrouwen die zich niet tot een kerk rekenden, 109 mannen van wie hetzelfde gold.

Vrijzinnigheid

Kerken met een groot vrouwenoverschot waren een halve eeuw geleden de remonstranten, doopsgezinden en luthersen. Typisch vrijzinnige kerken dus. Bij de remonstranten stonden in 1971 niet minder dan 157 vrouwen tegenover 100 mannen. Een eeuw eerder hadden ze ook al een aanzienlijk vrouwenoverschot.

Bij deze drie vrijzinnige kerken zie je het gecombineerde effect van vergrijzing en secularisatie. De vrijzinnigheid telde veel hoogopgeleide en maatschappelijk geëngageerde mannen, waarvan er nogal wat in hun jeugd of in de loop van hun leven de band met hun kerk verbraken.

De hervormden hadden in 1971 107 vrouwen op 100 mannen. In de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken was die verhouding 105 vrouwen op 100 mannen. Bij de andere kerken van gereformeerde signatuur was het verschil nog kleiner.

Bij de volkstellingsgegevens ging het zowel om kinderen als om volwassenen, zowel om doopleden als om belijdende leden. Overigens sloten de cijfers van de volkstelling nooit één op één aan bij de gegevens uit de kerkelijke statistiek. Randkerkelijken die officieel nog wel bij een kerk waren ingeschreven, gaven zich bij de volkstelling niet altijd op als tot die kerk behorend.

Op basis van de kerkelijke statistiek staan in de Gereformeerde Gemeenten, leden en doopleden bij elkaar geteld, volgens de jongste gegevens 103 vrouwen tegenover 100 mannen. Wanneer je de doopleden en de belijdende leden afzonderlijk bekijkt, zijn de verschillen veel groter.

Huwelijksmarkt

Ook elders ter wereld is er veelal sprake van een oververtegenwoordiging van vrouwen in de kerk. Zeker als we niet alleen kijken naar het kerklidmaatschap, maar ook naar de kerkgang en andere vormen van kerkelijke betrokkenheid. Of er al dan niet sprake is van de vrouw in het ambt heeft daar meestal niet zoveel mee te maken.

Wel is het gebrek aan mannen soms een motief om de ambten voor de vrouw open te stellen. Veelal leidt dat dan ook op ambtelijk niveau tot een verdere vervrouwelijking van de kerk.

Een ander gezichtspunt is dat een overschot van jonge vrouwen consequenties heeft voor de huwelijksmarkt. Voor vrouwen is het daardoor moeilijker om een partner in eigen kring te vinden dan voor mannen. Binnen de Gereformeerde Gemeenten en aanverwante kerken zijn er dan ook relatief veel ongehuwde vrouwen.

In vrijzinnige kring speelt dat probleem niet. Jonge remonstranten vertonen weinig aandrang om per se een levenspartner in de eigen kerk te vinden.

De sterkere betrokkenheid van vrouwen bij kerk en godsdienst had in het verleden ook politieke consequenties. In 1919 werd in Nederland het vrouwenkiesrecht ingevoerd, twee jaar na het algemeen mannenkiesrecht. Dat leidde er toe dat bij de eerstvolgende verkiezingen voor de Tweede Kamer het aantal zetels van de christelijke partijen aanzienlijk steeg. In de Kamer, die toen nog maar honderd zetels telde, gingen zij van 52 naar 60. De socialisten en liberalen die zich voor de invoering van het vrouwenkiesrecht beijverd hadden, moesten daarentegen zetelverlies incasseren.

In België en Frankrijk werd het vrouwenkiesrecht pas na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd. De antiklerikale partijen waren –waarschijnlijk niet ten onrechte– beducht dat het voor hen nadelig zou uitpakken wanneer ook de vrouw naar de stembus zou gaan.

Kleiner verschil

Overigens valt te constateren dat in de Gereformeerde Gemeenten de verschillen tussen de aantallen mannelijke en vrouwelijke belijdeniskandidaten de laatste jaren geringer worden (zie grafiek). In 2016 ging het om 648 mannen en 700 vrouwen die belijdenis deden. Tien jaar eerder waren dat bijna evenveel mannen (650) maar waren er 788 vrouwen.

Terwijl het aantal mannen dat belijdenis doet in die tien jaar tijd min of meer gelijk gebleven is, komt het aantal vrouwen lager uit. Weliswaar is er sprake van golfbewegingen, maar dat is wel de trend.

Die ontwikkeling zou wel eens het gevolg kunnen zijn van de emancipatie van de vrouw. Ook in de Gereformeerde Gemeenten volgen jonge vrouwen meer dan vroeger een hogere opleiding en bereiden ze zich voor op een beroepscarrière. De sterkere integratie in de moderne maatschappij die daar het gevolg van is, bevordert de assimilatie en secularisatie.

Waarschijnlijk is de uitstroom van jonge vrouwen groter dan vroeger. Dat is dan een van de oorzaken waarom de groei van het kerkverband de laatste jaren minder is dan voorheen het geval was.

Naar alle waarschijnlijkheid doen vergelijkbare ontwikkelingen zich ook voor in de aangrenzende kerkverbanden. Helaas biedt hun kerkelijke statistiek daar geen gegevens over. Zet deze ontwikkeling zich door, dan zal dat leiden tot een vermindering van het vrouwenoverschot, zij het niet op een manier die positief geduid kan worden.