Zijn heerlijkheid

Johannes 12:24a

„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft hetzelve alleen.”

Onze Heere gaf hier aan Zijn nadenkende leerlingen een reeks paradoxale waarheden ter overweging. Allereerst dat Hij, Die heerlijkheid was, nog verheerlijkt moest worden. „De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen moet verheerlijkt worden.” Jezus was altijd van heerlijkheid omgeven. Het was iets heerlijks voor de menselijke persoonlijkheid van de Zoon des mensen, persoonlijk één te zijn met de Godheid. Heerlijkheid was ook onze Heere Jezus gedurende Zijn hele omwandeling op aarde, door de volmaakte heerlijkheid van Zijn zedelijk karakter. Het genaderijk doelwit van Zijn verschijnen in het vlees was Hem een ware heerlijkheid, heerlijkheid was Zijn neerbuigende goedheid om van de zondaren Zaligmaker te willen zijn. De verheerlijking was van Zijn liefdevol wezen. Zijn bezigzijn in het werk van Zijn roeping, de wijze waarop Hij zichzelf voor God heiligde en steeds in het werk van Zijn Vader was, de macht waarmee Hij de satan en zijn aanlokselen afweerde: in dit alles openbaarde Hij heerlijkheid.

Ik geloof dat ik mij nog niet onjuist zou uitdrukken wanneer ik zeg dat Christus naar Zijn zedelijke natuur nooit heerlijker was dan toen Hij, Zijn gehele aardse leven door onaanzienlijk, veracht en verworpen, toch de in alles getrouwe dienstknecht van God en de teder liefhebbende vriend van de mensen Zich betoonde. De apostel zei: „Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd.”

C. H. Spurgeon, Londen (”Landbouwpreken”, 1883)