Zachtmoedigheid

Galaten 6:1

„Broeders, indien ook een mens overvallen ware door enige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt de zodanige terecht met de geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelf, opdat ook gij niet verzocht wordt.”

Hoewel God Zijn kinderen doorgaans voor grotere en grovere instortingen bewaart en hoewel een begenadigde nooit in de volle heerschappij van zulke grove zonden kan komen, is het evenwel niet onmogelijk dat ook een echte godzalige, door een hoge toelating van de voorzienigheid, in zulke grovere zonden valt en daarin voor een geruime tijd weer instort. Het zou daarom het beste zijn dat eenieder die zulke personen tegenkwam, met een innerlijke zorg over zichzelf werd aangedaan. Hij diende op zichzelf te zien, dat hij ook niet verzocht mocht worden, of dat hij zich aan zo’n ellendige op de een of andere wijze toch niet vergreep. Het is beter dat men over zulke gevallen in de eenzaamheid met de Heere dan in het openbaar met andere mensen veel spreekt. Het is allerbezwaarlijkst over zulke mensen te oordelen. Vooral wanneer men met een voldoende zekerheid weten kan hoe zij er eigenlijk onder zijn. Als men zulke mensen ontmoet, en met hen over hun toestand moet spreken, dan diende men met de uiterste voorzichtigheid en bewogenheid aangedaan te zijn. Men diende zorgvuldig toe te zien dat men zulke broeders niet al te hard, en ook niet enigszins onbarmhartig behandelt. Want zijn ze waarachtig begenadigden, dan zouden wij de barmhartige Heiland het grootste ongenoegen geven, wanneer wij over deze ellendigen van Hem onbarmhartig wilden zijn.

J. C. Appelius, predikant te Zuidbroek en Muntendam

(”Aanmerkingen over het recht gebruik van het Evangelie”, 1762)