Wet en Evangelie

Jesaja 29:18

„En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.”

De Heere zegt: „Te dien dage.” Dat is de dag van kracht, als Hij Zijn handen zal uitstrekken om Zijn werk te verrichten. Dan „zullen de doven” –zij die zich doof gevoelen en bevinden– „horen de woorden van het Boek.”

Wat zou het Boek zijn, waarvan hier gesproken wordt? Het is dat verheven Boek, dat voor mij ligt, de Heilige Schrift, de openbaring van Gods wil voor de mensen. In dit Boek zijn „woorden”, en deze woorden zullen de geestelijk doven horen „ten dage” als Gods Geest hun oren doorboort.

Maar welke woorden van de Heilige zullen de doven horen? De uitdrukking ”woorden” heeft een zeer uitgebreide betekenis. In Gods Boek zijn woorden des donders en woorden van „een zachte, suizende stilte.” Woorden die ontroeren en verschrikken, en woorden die vertroosten en geruststellen. Woorden van de berg Sinaï en woorden van de berg Sion. Woorden als een tweesnijdend scherp zwaard en woorden die neerdruipen gelijk de regen en de dauw op een dorstig land. „De doven zullen horen de woorden van het Boek.” De eerste woorden zijn van de berg Sinaï. Het zijn woorden „waarover zij baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden, want zij konden niet dragen, wat er geboden werd.” Het zijn woorden die openbaren de geestelijkheid van Gods wet, de heiligheid van Gods natuur, de gruwel der zonden en de billijke wraak der ongerechtigheid.

J. C. Philpot, predikant te Oakham en Stamford (”Vreugde in de God van Israël”, 2007)