Wereldwijde prediking

Psalm 117:1

„Looft de Heere, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën!”

Heidenen zullen Gods Woord horen. Dan zullen predikers tot hen gezonden moeten worden, die hun Gods Woord verkondigen, want alle heidenen kunnen niet naar Jeruzalem gaan of zich onder de kleine schare Joden ophouden. Zo zegt het Psalmwoord ook niet: „Laat alle volken naar Jeruzalem komen.” Nee, het laat hen blijven waar zij zijn en spreekt daar tot hen, dat zij God moeten loven. Dat zeg ik daarom zo, voor het geval iemand met een Joodse glosse deze Psalm in die zin zou willen uitleggen: dat alle heidenen naar Jeruzalem zouden moeten komen en Joden zouden moeten worden. Daartoe zou Jeruzalem veel te klein zijn, zelfs al was het zo groot als eenmaal het ganse koninkrijk van David en Salomo is geweest. Ook afgezien dus van het feit dat de tekst zo iets niet bedoelt, zou het onmogelijk zijn, omdat alle heidenen van de ganse wereld daartoe veel te talrijk zijn. Bovendien hebben wij nu ook het feit zelf voor ogen, dat God inderdaad Zijn apostelen en jongeren naar alle heidenen heeft gezonden en hun het Evangelie heeft laten prediken, de Heilige Schrift heeft gegeven, hen van zonde, dood en duivel heeft bevrijd, hun harten door het geloof heeft gereinigd en hen aldus tot Zijn kinderen en erfgenamen en tot Zijn volk heeft aangenomen, terwijl Hij ze toch niet naar Jeruzalem heeft opgeroepen, noch hun bevolen Joden te worden.

Maarten Luther, hoogleraar in Wittenberg (”Uitleg van Psalm 117”, 1518)