Water des levens

Exodus 17:6b

„En gij zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke.”

Dit water heeft de rijke overvloed van genade die ons door Christus’ lijden verworven is, afgebeeld. Het bittere water te Mara (Exodus 15:23-24) kan worden aangezien als een zinnebeeld van de bittere en onaangename leer der wet. Die ging met een zware vloek vergezeld. Die leer der wet bewoog het volk tot murmurering tegen God, maar Mozes tot een gelovig zuchten en roepen. Zo werd door de leer der wet het vleselijke Israël tot harde woorden tegen de Heere aangezet, maar het gelovige Israël opgewekt tot een innig zuchten naar de komst van de Verlosser.

Dat water te Mara kon niemand drinken, totdat er een zeker hout, dat God Zelf Mozes aanwees, afgehouwen en daarin geworpen werd. Daardoor werd dat water zoet en geschikt tot drinken gemaakt. Dit gaf te kennen dat door Jezus Christus, het Hout des levens, nadat Hij door de dood uit het land der levenden was afgesneden, de leer van Mozes’ wet in een aangename troostleer zou veranderd worden. Jezus Christus had de wet vervuld, de vloek daarvan weggenomen en het beeld van zijn schaduwachtige voorbeelden weergegeven. Maar dit schone en drinkbare water, dat uit de geslagen rotssteen tevoorschijn stroomde, was integendeel het zinnebeeld van de verkwikkende en troostrijke leer van het Evangelie, dat de Geest der genade als een vrucht van Jezus Christus’ lijden en dood met zich meebrengt (Galaten 3:22).

Johann Jakob Rambach, theoloog in Giessen (”Voorbeeld en tegenbeeld”, 1763)