Vrijwillige liefde

Hosea 14:5

„Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd.”

„Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere” (Jeremia 3:1).

Er geschiedt niet alleen een bijzondere nodiging van degenen die weer ingestort zijn, maar ook een bijzondere belofte: dat zij, als ze komen, in genade aangenomen zullen worden. „Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd” (Hosea 14:5). Christus gebiedt dat de mens zijn broeder, die in dezelfde zonde gevallen is, in genade zal aannemen en vergeven (Mattheüs 18:22). Hij wil dat wij, in wie maar een sprankje, een vonkje, ja een straaltje van liefde gevonden wordt, dit toepassen. Hoe zou Hij, Die de liefde Zelf is en alle liefde in ons moet planten, dan Zelf van harte daartoe niet geneigd zijn? Zou Zijn barmhartigheid dan met één vergeving uitgeput zijn, en zou Hij van ons zo’n veelvoudige vergeving vorderen? Aan Zijn liefde wordt honderdvoud te weinig toegeschreven, en van onze liefde honderdmaal teveel gevorderd.

Wilhelmus Saldenus, predikant te Enkhuizen (”Een christen vallende en opstaande”, 1662)