Vreugde in het hart

Psalm 4:8

„Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd als hun koren en most vermenigvuldigd zijn.”

Hoe logisch is het dat degene die hier spreekt, David, het levend en onsterfelijk Koninkrijk verwacht, en al dat goede, dat „noch het oog gezien heeft, noch het oor gehoord heeft, noch in het hart van een mens opgeklommen is.” Daarom zegt hij: „Gij hebt blijdschap in mijn hart gegeven.” En dit is nu juist ook kenmerkend voor Gods alomvattende voorzienigheid, dat alles is voorbereid en gereedgemaakt.

Als degenen die meer welgesteld zijn en degenen die vlees zijn en aan de aarde vastzitten, deze dingen niet oppikken, dan ontstaat er verwarring en onrust in hun hart, niet vanwege Degene Die de belofte doet, maar vanwege hun eigen onverstand.

En David zegt niet alleen: „U hebt vreugde gegeven”, maar ook: „in mijn hart”, waardoor hij laat zien dat de vreugde niet in de uiterlijke dingen zit, ook niet in (veel) slaven, noch in goud en zilver, noch in mooie kleren, ook niet in een overvloedige tafel, noch in de grootte van de macht, noch in de omvang van een huis. Want dat is geen blijdschap van het hart, maar alleen van de ogen. Want velen die dit allemaal bezitten, beschouwen het leven toch als ondraaglijk, en dragen een haard van onrust met zich mee in hun ziel, aan alle kanten uitgeput door een massa zorgelijke gedachten en in het nauw gebracht door de voortdurende zorgen.

Johannes Chrysostomus, priester in Antiochië

(”Homiliën”, ca. 390)