Vredestichters

Psalm 4:9

„Ik zal in vrede tezamen neerliggen en slapen; want alleen Gij, o Heere, zult mij doen zeker wonen.”

Die vrede heeft is niet bang voor een vijand, zelfs voor de duivel niet. Maar hij lacht ieder legioen van duivels uit en is meer welgemoed dan alle andere mensen. Hij wordt niet door armoede in het nauw gebracht, niet door ziekte en een slechte gezondheid bezwaard, niet door iets anders, waarin een mens soms onverwachts kan terechtkomen, in verwarring gebracht, omdat hij een sterke en gezonde geest heeft, krachtig om die zaken zonder problemen en met gemak aan te kunnen en een plek te geven.

Opdat u zou begrijpen dat dit waar is: Stel u voor dat er iemand is die de ander belastert en dat niemand tegen hem ingaat. Wat zou het nut trouwens ervan zijn? Hij voert immers oorlog tegen zichzelf. Hij gebruikt tegen zichzelf gedachten die scherper zijn dan een zwaard, hij lijdt een nederlaag bij iedereen die hij toevallig tegenkomt en in aanwezigheid van allen verwondt hij zichzelf. Hij heeft met niemand een goede relatie, maar ziet iedereen als vijand. Wat voor nut heeft zo iemand nu van een uiterlijke vrede, wanneer hijzelf razend is en bezeten van afgunst en als een vijand voor de gemeenschappelijk natuur rondgaat, zo’n enorme oorlog in z’n binnenste meetorsend, met wel duizend pijlen en bogen, biddend dat er liever 10.000 doden vallen, dan dat hij iemand van zijn leeftijdsgenoten ziet, die in achting is en geniet van een overwinning?

Johannes Chrysostomus, priester in Antiochië (”Homiliën”, ca. 390)