Voor heidenen

Johannes 12:23

„Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.”

Enige Grieken begeerden Jezus te zien. Dit waren mannen uit de heidenen. Het verdient onze opmerking dat zij juist in deze tijd een samenkomst met onze Heere zochten. Het is kennelijk dat hun vraag, „Wij wilden wel Jezus zien”, meer betekent dan dat zij enkel een blik op de Heere wilden werpen, want daartoe ontbrak hun de gelegenheid niet. Zij wensten door de Heere ontvangen te worden en van Hemzelf meer te leren omtrent Zijn streven en bedoelen.

Deze Grieken vormden de voorhoede van de ontelbare schare uit alle natiën, volken en tongen die eenmaal Jezus van Nazareth als hun Koning en Zaligmaker zullen belijden en dienen. Gewis heeft hun komen en wensen de Heiland verblijd, al zegt Hij dat niet opzettelijk, omdat juist nu Zijn geest zich geheel bepaalde bij Zijn te brengen zoenoffer en de gevolgen die dit hebben zou voor de mensheid. Toch gaf het Hem kenbaar gemaakt verlangen een eigenaardige wending aan Zijn onderwijs, zoals ons dat door Johannes is medegedeeld.

Wij merken hier op hoe de Zaligmaker Zijn betrekking als mens tot de gehele mensheid met nadruk doet uitkomen. Hij noemt Zich de Zoon des mensen. Hij doet dit zo, dat Hij aan die Naam een zeer bepaalde betekenis wil gehecht zien. Hij zegt: „De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.” Hij spreekt hier als de Zoon des mensen.

C. H. Spurgeon, Londen

(”Landbouwpreken”, 1883)