Vlees en ziel

Romeinen 7:19

„Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik.”

Het verschil tussen geest en vlees is er de oorzaak van dat in de Schrift tegenstrijdige dingen van dezelfde mens worden gezegd. In dezelfde mens strijden twee mensen met elkaar, omdat het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees (Galaten 5:17).

We spreken nu eerst over de inwendige mens. Laten we dan zien op welke manier hij een vroom, vrij en waarachtig christen wordt, dat is: een geestelijk, nieuw, inwendig mens.

Het staat vast dat volstrekt geen van de uitwendige dingen –met welke naam ze ook zouden moeten worden aangeduid– ook maar iets zouden kunnen bijdragen tot het verkrijgen van de gerechtigheid en de christelijke vrijheid, evenmin als van de staat van ongerechtigheid of gebondenheid.

Daarvoor zijn gemakkelijk goede argumenten aan te voeren. Immers, wat zou het de ziel kunnen baten als het lichaam welvarend is, ongehinderd en met eetlust spijzen gebruikt en drinkt en doet wat het hart begeert? We zien toch dat door diezelfde dingen ook de meest onvrome dienstknechten van alle zonden een bloeiend leven leiden? Aan de andere kant, slechte gezondheid of gevangenschap of honger en dorst, of welke andere uiterlijke onaangenaamheid of ongemak ook, schaadt de ziel niet; ook niet van de meest vrome en vrije mensen, die met een goed geweten door het leven gaan.

Maarten Luther, hoogleraar in Wittenberg

(”De vrijheid van een christen”, 1520)