Verzoening

Johannes 14:2

„In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u een plaats te bereiden.”

Christus mag terecht zeggen: „Het is u nut dat Ik wegga, naar de hemel, om te verschijnen voor Gods aangezicht, ons ten goede.”

De hogepriester, die eens per jaar inging in het heilige der heiligen, deed daar het volgende: hij kwam daarin met het bloed van hetgeen hij geofferd had, en droeg dat voor de Heere tot verzoening van de zonden van het volk. Hij droeg hun namen op zijn borst, op zijn borstlap. Hij bad voor hen.

Zo doet ook onze ware Hogepriester. Die gaat eerst in dat heilige, ja in de hemel zelf, waar Hij Zijn Vader geen vreemd bloed voorstelt, maar Zijn eigen bloed. Want het bloed van stieren en bokken kon de zonden niet wegnemen, maar het bloed der besprenkeling, dat betere dingen spreekt dan Abels bloed (Hebreeën 12:24), kan dat wel. Zo pleit het bloed van de Zaligmaker bij de Vader. Zo draagt Hij de namen van Zijn volk op Zijn hart, daar Hij hen liefheeft. Zo bidt Hij daar voor ons, met een krachtige begeerte tot verlossing van Zijn nooddruftig volk.

Hierdoor verkrijgen wij de Heilige Geest van de hemel, om ons te overtuigen van zonden, gerechtigheid en oordeel, alsook om daardoor veel goeds te verrichten, om ook wonderen uit te werken. De apostelen konden daardoor doen wat Christus deed. Zelfs door het aanraken van hun gordels en zweetdoeken zijn verscheidenen genezen.

Jodocus van Lodenstein, predikant te Utrecht (”De heerlijkheid van een waar christelijk leven uitblinkende in een godzalige wandel”, 1767)