Vaderlijk

Psalm 4:4

„Weet toch dat de Heere Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de Heere zal horen als ik tot Hem roep.”

Zie daar opnieuw de snelheid. Zoals David immers zojuist zei: „Toen ik riep, heeft de God van mijn gerechtigheid mij verhoord”, zo is dat hier ook: „Toen ik tot Hem riep.”

Hoe komt het nu dat velen niet worden verhoord? vraagt hij zich af. Omdat velen doelloze dingen verlangen, die niet bijdragen tot ons heil. Niet verhoord te worden is hier immers beter dan wel verhoring te verkrijgen. Laten we daarom, als we wel verhoord worden, niet dáárom verheugd zijn. Maar laten we aan de andere kant God juist roemen wanneer we niet verhoord worden. Want als we nutteloze dingen vragen en we worden niet verhoord, dan hebben we er juist baat bij dat we ze niet ontvangen. Of we doen te nonchalant een gebed, maar doordat we moeten wachten op de vervulling, leert God ons verwachtend uit te zien naar de verhoring; en dat is ook geen gering nut. „Want”, zegt de Schrift, „als u uw kinderen weet goede gaven te geven”, veel meer is dit nog het geval bij God, Die weet te geven, maar ook weet wanneer Hij moet geven en wat Hij moet geven.

Johannes Chrysostomus, priester te Antiochië (”Homiliën”, ca. 390)