Uit de koers

Psalm 4:3

„Gij mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken?”

Als het nu een aanklacht is dat de mensenzonen de goedheid van God niet vanaf het begin hebben opgemerkt, hoeveel vergeving zal iemand dan verkrijgen die tot op dit moment nog steeds verblind is, als het gaat om de waarheid? Wat betekent dat woord ”tragen van hart”? Mensen die vleselijk zijn en bovendien gefascineerd zijn door de wereld. Die het verkeerde achternajagen en als het om verkeerde daden gaat, er altijd bij zijn. Die totaal bedorven zijn door een tomeloze genotzucht. Zo zit de vleselijke mens immers in elkaar! Terwijl hij hun leven afwijst, laat hij hen ook de bron van hun goddeloosheid zien. En maakt hun duidelijk, dat die bron nu juist –als het om principes gaat– voor hen de belemmering vormt, namelijk: hun eigen hoogmoed. Want niets maakt het hart zo zwaar, als de slechte begeerte en de betrokkenheid op de zaken van het gewone leven en de fascinatie die van de wereld uitgaat. En iemand die zou zeggen dat een dergelijk hart van steen gemaakt is, slaat de plank niet ver mis. Juist daarom noemde hij het hart ook zwaar. En hij zei dat dit weer de oorzaak van een volgende ramp was. Omdat het hart, dat zich geplaatst ziet op de plek van de wagenmenner, niet alleen het paard niet in bedwang kan houden, maar bovendien de controle verliest en zelf meegesleurd wordt.

Johannes Chrysostomus, priester te Antiochië (”Homiliën”, ca. 390)