Trooster

Johannes 16:7

„Doch Ik zeg u de waarheid: het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.”

De Zaligmaker wil zeggen: Indien Ik niet heenga, zo zult u met die bijzondere gaven van de Heilige Geest, Die Ik op de pinksterdag zenden zal, niet begunstigd worden. Hij zou gezonden worden. Nochtans is Hij God met de Vader en de Zoon, één Persoon in het goddelijk Wezen, niet een eigenschap van God, maar een onderscheiden zelfstandigheid, die goddelijke namen draagt. Hem werd goddelijke eer bewezen. Hij heeft goddelijke eigenschappen en doet goddelijke werken. Omdat Hij gezonden werd, volgt daaruit niet dat Hij geen God zou zijn, want dan moest de tweede Persoon, Die ook gezonden is, ook geen God zijn. Dat Hij een Persoon is, kan men bewijzen uit Zijn werk dat Hij doet, zoals onderzoeken en overtuigen van zonden, gerechtigheid en oordeel. En hier: vertroosten.

Hij is een zelfstandig Persoon, Die bij Zichzelf een bestaan heeft. En daarom zegt Christus: „Ik zal u een andere Trooster zenden, de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat.” En Die gezonden wordt is een ander dan die Hem zendt, en dus van de Vader en de Zoon onderscheiden. Was Hij minder dan de Zoon, dan was het niet zo’n groot nut, maar de Zaligmaker belooft Hem hier, om hen daarmee te troosten. Hierin ligt een sterk bewijs van Zijn godheid. Hij is als God overal tegenwoordig, zoals David zegt: „Waar zal ik vlieden voor Uw Geest?” (Psalm 139:7).

Jodocus van Lodenstein, predikant te Utrecht (”De heerlijkheid van een waar christelijk leven uitblinkende in een godzalige wandel”, 1767)