Tot gehoorzaamheid bewerken

Openbaring 3:15

„Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet!”

De Persoon Die hier spreekt, is de aanbiddelijke Zoon van God, de Heere Jezus Christus, zittende verheerlijkt aan de rechterhand van Zijn Vader. Met Zijn voorzienigheid, Geest en genade is Hij nochtans overal bij Zijn gelovige kerk, hier op aarde en daar wandelend tussen de gouden kandelaren.

Degenen die aangesproken worden, zijn de gemeente van Laodicea en bijzonder hun engel of opzieners, die het herder- en leraarsambt daar in die gemeente bedienden. Want aan deze opzieners te Laodicea wordt deze brief bijzonder en allereerst geschreven, opdat zij de inhoud daarvan aan het volk, of de gemeente, aan hun opzicht toevertrouwd, zouden meedelen. En opdat zij niet zouden nalaten al hun vermogen aan te wenden, opdat aan het doel van de Heere Jezus, door een algemene bekering van het volk, zou genoeg gedaan worden. Want de herders en opzieners in de gemeenten zijn gesteld als dienaars en afgezanten van Christus, om de bevelen van hun Heere aan het volk bekend te maken en hen op allerlei wijzen tot gehoorzaamheid te bewerken. Aan deze opzieners van Laodicea laat de Heiland schrijven, door Johannes de apostel: „Ik weet uw werken.” De Zaligmaker gewaagt van de werken van Laodicea. Daaronder verstaan we: hun gedrag, handel en wandel, hun doen en laten, zowel inwendig als uitwendig. Want een mens heeft tweeërlei werkzaamheden, waarvan sommige verborgen en andere openbaar zijn.

Theodorus van der Groe, predikant te Kralingen (”Veertien nagelaten biddagpredikaties”, 1840)