Toorn

Galaten 3:13b

„Een vloek geworden zijnde voor ons.”

De toorn van God brandde tegen Jezus. God beschouwde Hem als de schuldige. Hij beschouwde Hem als het voorwerp van gerechtigheid. Door goddelijke wraak werd Hij voor deze zonden vervolgd. „En de Heere heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen aanlopen” (Jesaja 53:6). „Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen” (Jesaja 53:11).

Dit was het belangrijkste deel van de straf op de zonde. Dit deed Christus bloed zweten. Dit werd symbolisch voorgesteld met het vuur op het altaar, dat de offers niet verteerde. Hierdoor onderging Christus de wezenlijke inhoud van dat wat rechtmatig voor ons was bedoeld. Het was niet nodig dat Christus in alle opzichten hetzelfde zou lijden als wat wij zouden moeten lijden als we de straf van onze eigen zonden moesten dragen. Maar het was noodzakelijk dat Hij de wezenlijke kern van onze straf zou lijden. Daarom wordt er gezegd dat Hij de vloek ondergaan heeft, „een vloek geworden zijnde voor ons” (Galaten 3:13). Hij kwam om de wet te vervullen (Mattheüs 5:17). Christus, onze Borg, was verplicht om onze schulden te betalen; en God nam Hem niets af van de uiterste consequenties van de vloek die voor ons was bedoeld.

Salomon Stoddard, predikant te Boston (”Showing the Virtue of Christ’s blood”, 1717)