Toepassing

Jesaja 29:18

„En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.”

Deze woorden van het Boek horen de doven „te dien dage”, als God Zijn hand uitstrekt en hun oren doorboort. En zoals Josia, toen het wetboek in de tempel gevonden werd, zo ook bevinden zij die woorden „levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard” en machtig om „af te breken en te verderven”, zoals een gedeelte van de last van Jeremia. Maar de woorden van het Boek, die de doven te dien dage horen, zijn voor het grootste gedeelte aangename en troostrijke woorden. Want zij zijn over het algemeen gemakkelijk genoeg om te horen wat tegen hen is, maar doof voor alles wat voor hen is. Daarom hebben zij de grootste behoefte aan het horen van die woorden die van vrede, vergeving, liefde en zaligheid tot hun gewetens spreken. Maar omdat zij deze woorden van het Boek niet tot vertroosting van hun ziel kunnen horen, gevoelen zij zich doof. Hoe vaak wordt de bevinding van een arm, beproefd kind van God van de preekstoel besproken en nochtans kan het dit getuigenis niet tot zijn zielsverkwikking aannemen! Hoe dikwijls zijn hem de nodigingen en beloften, die voor zijn bevinding passen, voorgehouden, en toch kan hij ze voor zichzelf niet aannemen, omdat hij zijn behoefte gevoelt aan de kracht van God, om die toe te passen aan zijn geweten.

J. C. Philpot, predikant te Oakham en Stamford

(”Vreugde in de God van Israël”, 2007)