Toch vergeving

Hosea 14:5

„Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd.”

Nu kunnen er vragen opkomen: „God wil Zijn genade toch alleen bewijzen aan degenen die zich oprecht tot Hem bekeren? Zij die weer afgevallen zijn na de gesproken vrede, kunnen zich niet bekeren, en daarom raken de voorzegde dingen hen niet. De tekst is helder en niet tegen te spreken. Want het is onmogelijk, zegt de apostel, dat degenen die eens verlicht zijn geweest, de hemelse gaven hebben gesmaakt, de Heilige Geest deelachtig zijn geweest, het goede Woord van God en de krachten der toekomende eeuw hebben gesmaakt, afvallig worden en zich weer bekeren (Hebreeën 6:4).”

We antwoorden daarop het volgende. De apostel zegt in geen geval dat degenen die ingestort zijn, zich niet weer kunnen bekeren. Als we zeggen dat God Zijn genade ook aanbiedt aan diegenen die weer ingestort zijn, zo verstaan wij door die genade de vergeving der zonden. Nu, de bekering, die genomen wordt voor het werk van de heiligmaking, gaat niet vóór het ontvangen van die vergeving, als een oorzaak of een voorwaarde ervan, maar volgt daarop als een vrucht of werking. Niemand krijgt vergeving of genade omdat hij bekeerd is, maar opdat hij zich bekeert (zie de Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 60 en Romeinen 4:6).

Wilhelmus Saldenus, predikant te Enkhuizen (”Een christen vallende en opstaande”, 1662)