Toch blijdschap

1 Samuël 2:1

„Toen bad Hanna en zei: Mijn hart springt op in de Heere, en mijn hoorn is verhoogd in de Heere; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil.”

In haar lied zingt Hanna van een dubbele vreugde. Want wanneer Hanna zegt dat haar hart verheven is, is het allerminst twijfelachtig dat zij terugziet op de bijzondere gunst van God. Verder zegt zij opnieuw dat zij verheugd is. Dan gaat het om de vreugde waardoor haar rouw en droefheid opgeheven zijn. Ook al worden wij van alle kanten door smarten overstelpt, toch moeten we altijd blij zijn. Om deze reden beveelt Paulus de Filippenzen zich altijd in de Heere te verblijden. In zijn tijd werd de kerk door vervolging geplaagd. Paulus werd in boeien gehouden, de arme gelovigen verkeerden als schapen tussen de muilen van de wolven. De kerk werd met zaden van kwaad gevoed. Door al die dingen had het gemoed van de gelovigen zo geraakt kunnen worden dat het geheel ontrouw werd. Hartenleed en droefheid werpen de mens geheel terneer en brengen hem tot gevoelloosheid. Daarom moet onder deze moeilijkheden die droefheid door geestelijke vreugde overwonnen worden. Wat er dan ook gebeurt en welke stormen en onheilen ons ook overvallen door het woeden van de wereld en satan, wij blijven dan toch onverschrokken en ongeschokt staande.

Johannes Calvijn, predikant te Genève (”Preken over 1 Samuël”)