Steun op Gods almacht

Genesis 17:1b

„Ik ben God de Almachtige.”

De duivel probeert een arme ziel in allerlei raadsels te verstrikken, zoals een arme reiziger die tussen de rovers terechtkomt. Zij komen naar hem toe en beloven hem op een betere weg te leiden. Maar zij brengen hem echter in een woud waar geen voorbijgangers komen en daar doen zij met hem wat zij willen.

Zo is het ook met een arme ziel, wanneer de duivel hem in deze ontoegankelijke twistzaken verstrikt. Het gaat hier als het ware om de uitgebreide wildernissen van Gods eeuwige raadsbesluiten, waar geen mensen ooit voorbijkomen. Daarom ziet de reiziger zich van alle hulp en bijstand ontbloot. De satan kan nu naar volkomen welbehagen zijn algehele boosaardigheid uitoefenen door de arme, verlaten ziel te verschrikken.

Let, om dergelijke strikken te vermijden, op goede aanwijzingen. Laat de ziel in de eerste plaats steun zoeken bij de almachtige kracht van God. Van die God, Die tot Abraham zei: „Ik ben God de Almachtige” (Gen. 17:1). Want als u van de algenoegzaamheid van God overtuigd bent, moet die verzekering u, die menigmaal struikelt, voor vallen behoeden. En bedenk hier tevens dat God meer kan doen dan u denkt. Hij is groot van vermogen en bewijst u veel goeds, al beseft u dat niet. En merk verder op dat de ziel aan Gods wil niet behoeft te twijfelen, al trekt zij Gods macht soms met haar twijfelmoedigheid in twijfel.

Thomas Hooker, predikant te Hartfort (Amerika) (”De arme twijfelende christen genaderd tot Christus”, 1660)