Slavernij

Genesis 3:7

„Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren.”

Adam en het ganse menselijke geslacht stortten zich in de diepe afgrond van ellende, vielen van God, hun liefderijke Schepper, af en werden zo het eigendom van de duivel. Geestelijke blindheid, gevoel van hun naaktheid, besef van schuld en schrik in het geweten openbaarden zich dadelijk bij het eerste mensenpaar na de overtreding. Adam vluchtte voor God, verborg zich in het dichtst van het geboomte, en ten slotte maakten onze eerste stamouders zich schorten van vijgenbladeren. De kinderlijke betrekking tot God de Vader was verbroken en Adam gevoelde dat zijn liefderijke Schepper zijn rechtvaardige en onomkoopbare Rechter geworden was, en hem naar het rechtvaardige oordeel Gods niets anders dan tijdelijke en eeuwige straffen zouden treffen (Genesis 3). Dat wij ons zouden verwonderen dat de Heere de mens (dat pronkstuk van de schepping), in wie nu het hele beeld Gods was verwoest, niet terstond verdelgd heeft van Zijn aangezicht. Maar nee, hoewel van dat heerlijke Godsbeeld niets in de mens was overgebleven, zo had de Heere nochtans hem verstand en geweten overgelaten, als eigenschappen van de ziel, die de Heere in zijn neusgaten geblazen had. Maar wat de ellende verzwaarde, was dat dit heerlijke verstand was verduisterd en de consciëntie bezoedeld en bevlekt. Hun held’re geest is thans geheel verduisterd, hun oordeel gans bevangen, niet meer vrij, hun willen aan de zonde vastgekluisterd. De vrije mens, helaas! in slavernij!

Ds. Pieter Los, predikant te Leiden (”Een oude Pelgrim”, 1910)