Schriftonderzoek

beeld ANP

Prediker 7:16b

„En houd uzelven niet al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?”

Waarheen zullen broeders die twisten over het recht op het erfdeel anders heenlopen dan naar het Testament van de Vader? Het is immers bekend dat die plaatsen van de Schrift die iets duisters of iets duidelijker schijnen te spreken, die met opzet over de zaak zelf handelen, getoetst moeten worden.

Ten slotte moet iedereen dit ook erkennen, dat er geen plaats in beide Testamenten is, die klip en klaar en met opzet dit hoofdstuk van de predestinatie zo onderzocht en verhandeld heeft, als die vermaarde plaats in Romeinen 9. Wel dan mannen, richters. Wilt u mijn raad volgen, gebied dan dat beide twistende partijen een korte, klare en duidelijke verklaring van die Schriftplaats aan de synode geven, zonder bedrog, zonder omwegen en met een broederlijke hand. Het kan niet anders dat als deze goddelijke fakkel de waarheid voorgaat, zij zich voor de godzalige en oprechte ogen zal openbaren. Niet boven de vaderen, de getrouwste uitleggers der Schriftuur, die heel heldere lichten der gemeente zijn geweest. Zo u dat doet, o gelukkig Nederland, o ongeschonden bruid van Christus, o zeer bloeiende Republiek, dan zal deze kerk, door de baren van allerlei wind van leer gekweld, voorzeker ten laatste de haven in zeilen, en de stormen rustig bespotten en verachten. Maar, opdat dit geschiedt, tracht naar vrede.

Josephus Hall, deken van Worcester (”Preek op de Synode van Dordrecht”, 1618)