Scheuringen

Jeremia 23:2b

„Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht.”

Onze kerken, die eertijds huizen van vrede, rust en vrijheid waren, waarheen de vreemdelingen en buitenlanders, van verre alsook van nabij, verdreven uit hun plaats, tot hun zekere toevlucht tegen de overvallende overlast van de buitenlandse vijanden hebben genomen, zijn thans huizen van stormen, openbare tonelen van inwendige en zeer zware twisten en schouwspelen van ongebondenheid van allerlei leringen. De herders, die voor deze Midianitische oorlog de vrede, het goede, de zaligheid en het zeer bloeiende rijk Gods met grote vreugde en gunst der vromen hebben verkondigd, weten nu niets dan twisten, scheuringen, verdeeldheden van de gemoederen en ergernissen –tot groot schandaal van de zwakken, tot droefheid van onze vrienden en tot vermaak van onze vijanden– te verhalen.

Wie is er onder u, broeders, die met mij zucht vanwege deze zeer droevige gedaante van onze kerken, of liever over de verschrikkelijke verandering ervan, waarover de gehele gereformeerde christenheid met ons ontsteld is, waarover hemel en aarde verschrikken, waarover de engelen, die dagelijks uit de hemel tot ons afdalen, ten hoogste bedroefd zijn, waarover tenslotte de preekstoelen en banken van kerken en academiën sidderen en zeer verwoest worden? Hoe zien we nu deze profetie van Jesaja, van de gezanten des vredes en der zaligheid, die tot het volk van Sion gezonden worden?

Johannes Polyander, hoogleraar in Leiden (”Preek over Jesaja 52:7”, 1618)