Plaatsvervanging

Johannes 11:50

„En gij overlegt niet dat het ons nut is, dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.”

De zaak die voorgesteld wordt, is Zijn weggaan, door die droevige weg van Zijn lijden en sterven, waarop Zijn hemelvaart en verheerlijking zijn gevolgd. Dit lijden moest op Christus komen, en de heerlijkheid daarop volgen, ook ten goede van Zijn discipelen en navolgers. Hieruit vloeit voort dat het weggaan van de Zaligmaker door Zijn lijden en hemelvaart, om zo verheerlijkt te worden, ten beste van Zijn volk is. Dit wist de hogepriester Kájafas, hoewel onwetend, te zeggen dat het beter was dat Eén voor het volk stierf, dan dat het gehele volk verloren ging (Johannes 11:50). En Paulus zegt in Hebreeën 2:13 dat Christus door Zijn dood heeft tenietgedaan degene die de macht des doods had, opdat Hij ook verlossen zou die met vreze des doods geheel hun leven de dienstbaarheid onderworpen waren.

Maar dit zal bij de eerste aanblik wat vreemd schijnen, dat Jezus’ weggaan voor Zijn discipelen nuttig kon zijn in die tijd, toen zij zo zwak waren en zich al begonnen te verstrooien, en waarop zo’n grote vervolging zou volgen wanneer men hen vangen en doden zou. En die dat deden, meenden zelfs God een dienst te doen. Als in zulke tijden de Meester wegging, hoe konden wij daar dan voordeel bij krijgen? Ja, toch groot voordeel. Dus kregen wij door Zijn weggaan een bezitting in de hemel!

Jodocus van Lodenstein, predikant te Utrecht

(”De heerlijkheid van een waar christelijk leven uitblinkende in een godzalige wandel”, 1767)