Pinksterliefde

Galaten 5:22

„Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.”

De mens die in Christus is, wordt ook vernieuwd in de wijze van zijn uiterlijk beroep en handeling in de wereld. Hij neemt steeds voor daarin te werken, omdat God het zo geboden heeft (Romeinen 12:11). Hij neemt zich voor God als zijn hoogste doel daarin op het oog te hebben, dat doende tot Zijn eer (1 Korinthe 10:31). Hij zoekt ook gemeenschap te oefenen met God in de beoefening van zijn uiterlijke werkzaamheden, zoals Jakob doet in het maken van zijn uiterste wil (Genesis 49:18). Zodat hij zich voorneemt met God te wandelen en zich gedurig Hem voor te stellen (Psalm 14:8); waarin hij echter –het is onloochenbaar– dikwijls tekort komt. Hij wordt vernieuwd in de beschouwing van zijn naaste betrekkingen. Hij volbrengt beter zijn plicht als man, vader, broeder, meester, knecht, buurman etc. Hierin oefent hij zichzelf: dat hij een onergerlijk geweten mag houden tegenover de mensen.

Hij wordt ook vernieuwd in het gebruik van zijn geoorloofde vrijheid. Hij tracht spijs en drank, slaap, kleding en vermakelijkheden te gebruiken met het oog op God. Hij arbeidt om onder de macht van geen ding te komen (1 Korinthe 6:12-13) en om geen aanstoot te geven aan anderen in het gebruik van die dingen (Romeinen 14:20-21; 15:2). Ook gebruikt hij het zijne niet tot een oorzaak voor het vlees (Galaten 5:13).

William Guthrie, predikant te Fenwick (”Des christens grote interest”, 1668)