Onze leden

Jakobus 3:6a

„De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid.”

De leden van ons lichaam zijn wapenen der ongerechtigheid. Daarin heerst de zonde. Vernieling en ellendigheden zijn in al onze wegen en er is geen vreze Gods voor onze ogen. Want ons ganse hoofd is krank, onbuigzamer dan een rots en ons voorhoofd is van koper. Onze ogen zijn vol ijdelheid en onze neus steken wij in hovaardij omhoog. De woorden van onze mond zijn onrecht en bedrog, ja leugen. Het binnenste daarvan is enkel verderf, vol van vloek, bedriegerij en list. En uit de overvloed van het boze hart spreekt de mond. De tong is een wereld van ongerechtigheid. Zij besmet het gehele lichaam en ontsteekt het rad van onze geboorte, die ontstoken wordt van de hel (Jakobus 3:6). Zij is een onbedwingelijk kwaad, dicht onrecht, koppelt en pleegt bedrog. Zij is een moordpijl, vol van dodelijk venijn. Onze tanden zijn spiesen en een scherp zwaard, zoals ook onze tanden messen zijn (Spreuken 30:14). Onze lippen zijn heet addervergif, slangenvenijn is eronder. En omdat ze verdraaid zijn, spreken zij valsheid en zijn een strik. Onze keel is een open graf, onze nek een ijzeren zenuw, die zich verhardt.

Cornelia Leydekker, Middelburg (”Ernstige ziel-betrachtingen in heylige alleen-spraeken voor, onder, en na het houden der H. Avondmaels”, 1695)