Oneindige ontferming

Job 9:10

„Die grote dingen doet die men niet doorzoeken kan, en wonderen die men niet tellen kan.”

Een arm schepsel denkt dat zijn zonden onvergeeflijk zijn en dat hij nooit de verzekering van Gods gunst of hoop of liefde deelachtig zal worden. „Maar gij zijt mensen”, zegt de Heere, „en hebt eindige gedachten. Maar ik ben God en wanneer ú denkt dat Ik geen barmhartigheid zou schenken, ben Ík nochtans oneindig in ontferming.”

„Maar hebben er ooit zulke zondaren als ik barmhartigheid verkregen?” vraagt een arme, kwijnende ziel. „En waarom zou ik dan de enige zijn?” Hierop antwoord ik: toen Christus vele bijzondere wonderen had verricht, zei het volk dat er nog nooit zulke dingen in Israël waren geschied. En daarom behoeft het beslist niet te worden betwijfeld, dat God dingen kan doen die nog nimmer zijn gedaan. Hoor slechts naar wat Job van God zegt: „Die grote dingen doet die men niet doorzoeken kan, en wonderen die men niet tellen kan” (Job 9:10). Oordeel daarom niet naar uw bekrompen inzicht over Gods macht en liefde. De beste christenen hebben de meeste achterdocht ten opzichte van zichzelf. En niemand is meer vervuld met vrees of twijfelmoedigheid dan zij, die de minste reden hebben om te twijfelen, of te vrezen dat hun zaken er niet goed voorstaan. Daarom is het van belang te horen naar David: „Maar de Heere zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nacht zal Zijn lied bij mij zijn” (Psalm 42:9).

Thomas Hooker, predikant te Hartfort (Amerika)

(”De arme twijfelende christen genaderd tot Christus”, 1660)