Onderscheid

2 Timotheüs 2:19a

„Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.”

De Heere heeft mij aangezien, toen ik geworpen lag op het vlakke des velds om de walgelijkheid van mijn ziel. Anderen zijn verhard geworden. Zo ontfermt Hij Zich dan over die Hij wil en verhardt die Hij wil. Zo is het niet desgene die wil, noch desgene die loopt, maar alleen van de ontfermende Gods. Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleef, niet uit de werken, maar uit de Roepende, zo werd tot haar gezegd: de meerdere zal de mindere dienen.

Zie de goedertierenheid en strengheid van God. De strengheid over die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien u in de goedertierenheid blijft. Anders zult u ook afgehouwen worden (Romeinen 11:22). Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God, daar het vaste fundament van God staat en dit zegel heeft: „De Heere kent degenen, die Zijnen zijn”? Welgelukzalig is dan het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.

En u, mijn ziel, die uw verkiezing weet van God, verwonder u over Gods onveranderlijke raad, over Zijn uitnemende wijsheid, vrije liefde en genade. Verwonder u over Zijn heilige soevereiniteit, over Zijn goddelijke macht, eeuwige goedertierenheid en barmhartigheid. Ja, verwonder u over Gods vaderhart, dat u verkoren heeft. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!

Cornelia Leydekker, Middelburg (”Ernstige ziel-betrachtingen in heylige alleen-spraeken voor, onder, en na het houden der H. Avondmaels”, 1695)