Onbedachtzaamheid

Psalm 141:4a

„Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enige handel in goddeloosheid te handelen.”

Om haar bekommering met de woorden van een zeer geestelijk schrijver uit te drukken, zegt de ziel: „Och, hoe dikwijls heb ik mij voorgenomen mij voor een zonde te wachten, en hoe dikwijls heb ik mij telkens weer daarin verward gevonden. Hoe dikwijls heb ik mij voorgenomen mij zo te matigen in mijn eten en drinken, dat ik daardoor in het minst niet mocht bezwaard worden, en heb evenwel mij telkens vergeten, als mij wat aangenaams is voorgekomen.

Och, Heere, hoe jammerlijk bedrieg ik mijzelf, door de ongepaste liefde, die ik mijzelf toedraag, dat ik zo graag mijn vlees tot lust bezorg. Hoe vaak heb ik weer –zo dikwijls mij sterke gelegenheden daartoe werden gegeven– de ijdelheid nagegaan. En U, mijn God, geminacht, hoezeer ik ook het tegendeel wilde. Heere, hoe groot is de menselijke broosheid, die tot zonde geneigd is. Heden neem ik voor mijn zonden te laten, en op dezelfde dag doe ik dezelfde zonde weer. Dit uur maak ik een opzet om mij voor een zonde te wachten, en een uur daarna verwar ik mij weer daarin, alsof ik zo’n voornemen niet gehad had.”

Wilhelmus Saldenus, predikant te Enkhuizen (”Een christen vallende en opstaande”, 1662)