Nieuwe schepping

Romeinen 3:29

„Is God een God der Joden alleen? En is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen.”

Deze genade verzekert God in dit leven, alsook hiernamaals in en door de verdiensten van de Middelaar, Die Zichzelf in de volheid des tijds voor God onstraffelijk zou opofferen. Deze God zal dit aan Jafeth doen, om te tonen dat Hij niet langer alleen maar een God der Joden maar ook een God der heidenen is, rechtvaardigend de besnijdenis uit het geloof en de voorhuid door het geloof (Romeinen 3:29,30).

God, Die in het begin alles geschapen heeft en gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen (Genesis 1:1,3, 2 Korinthe 4:6), zal ook dit nieuwe scheppen en in het midden van deze duistere heidenen Zijn licht doen schijnen en Zijn zaligmakende genade doen blinken. Want de bekering der heidenen die hier beloofd wordt, is ook een schepping om het licht uit de duisternis te doen schijnen.

Hierom zegt de apostel tot die bekeerde heidenen in Efeze: „Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere” (Efeze 5:8). God de Heere heeft de heidenen in de verleden tijden laten wandelen in hun eigen wegen (Handelingen 14:16), zonder hen van buiten te bestralen met de zaligmakende leer van het woord der genade; want God maakte toen „Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Halleluja” (Psalm 147:19,20).

Fridericus Ragstat à Weille, Predikant te Spijk (”Noachs profetie”, 1685)