Niet te wijs

Prediker 7:16

„Wees niet al te rechtvaardig, en houd uzelven niet al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?”

Wees niet al te wijs. Hij die de keus ontvangen heeft, de wijsheid voor zichzelf verkozen, en meer dan de gewone mensen verkregen had, veroordeelt hier al te veel wijsheid. Wat is er zoeter dan honig? zei Simson terecht. Eet nochtans niet te veel honig, zei Salomo wijselijk. De eigenlijke ziekte van het vernuft is nieuwsgierigheid. Dat is begeerte om meer te weten dan ons toekomt, waarmee, zelfs tot de dood toe, de eerste voorouders van het menselijke geslacht besmet zijn geweest, en ons daarom is aangeboren. De mysticus Dionysius spreekt zo van de rangorden der engelen (zoals u weet) alsof hij met Paulus in de hemel opgetrokken is geweest. Ja, die dingen die de heilige apostel gezien en verzwegen heeft, die heeft deze niet minder verzwegen als gezien. Daar is ook een ander geweest die het getal der hemelse geesten even zeker heeft aangetekend. Zelfs ook Mathilda, een van de godinnen der heidenvolken, heeft, op verzoek van een zekere broeder, durven vragen wat eindelijk van de ziel van Simson, wat van de ziel van Salomo, Trajanus en Origenes worden zou. De apostelen, die geruime tijd aan de voeten van Christus gezeten hadden, wanneer er sprake was van de verborgenheid des geloofs, horen terstond: „U is gegeven te verstaan.” Maar wanneer zij naar zaken vragen die niet al te nodig waren: „Het komt u niet toe te weten”!

Joseph Hall, deken van Worcester (”Preek op de Synode van Dordrecht”, 1618)