Naderen

Mattheüs 7:7

„Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.”

Het is onmogelijk om te zeggen: „Ik was bang om tot God te naderen en Hem een verzoek te doen. De vijand zat mij op de hielen.” Laat dat voor u geen belemmering zijn. Let niet op de vijand en breek uw bede niet af. Want u kunt Hem steeds en voortdurend ontmoeten en het is Hem nooit te veel. Hij heeft er geen moeite mee als u tot Hem komt. Er zijn geen deurwachters nodig die u naar Hem toe leiden, geen mensen die u moeten sturen, geen beschermers, geen bewakers, geen vrienden.

Wanneer u zelf naar Hem toe zult gaan, dan vooral zal er naar u worden geluisterd. We maken dus geen slechte indruk als we niet via anderen iets aan God vragen, maar als we uit eigen beweging tot Hem bidden. Aangezien Hij immers onze vriendschap bemint, maakt Hij ook alles zo, dat wij bij Hem vol goede moed zijn.

Johannes Chrysostomus, priester te Antiochië (”Homiliën”, circa 390)