Naar Gods eed

Genesis 9:27

„God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten; en Kanaän zij hem een knecht.”

De Heere zou hen verlichten door Zijn Heilige Geest, want zij waren „verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten.” (Ef. 4:18) Daarom wordt van hen ook gezegd dat zij in die tijd zonder God zijn geweest (Ef. 2:12) en God niet kennen (1 Thess. 4:5). God dan, de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu alle mensen alom dat zij zich bekeren (Hand. 17:30). En toont dat „God geen aannemer des persoons is, maar in allen volke die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam is’ (Hand. 10:34-35). Want Gods huis is een „bedehuis voor alle volken, die zich tot de Heere voegen om Hem te dienen, en om de Naam des Heeren lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn.” (Jes. 56:6-7) Het grondwoord ”Elohim”, dat in onze tekst staat, en met ”God” in onze taal wordt overgezet, is niet afkomstig van het Arabische woord ”aljah”, dat ”eerbewijzen” betekent, omdat men namelijk God alle eer moet bewijzen. Maar het heeft zijn oorsprong van het Hebreeuwse woord ”alah”, dat ”zweren” betekent. Daaruit zien en leren wij dat God het werk der verlossing in Zijn eeuwige raad des vredes vastgesteld en besloten, alsook al de beloften der genade die Hij ooit gedaan en beloofd heeft, als met een eedzwering bevestigd heeft.

Fridericus Ragstat à Weille, predikant te Spijk (”Noachs profetie”, 1685)