Lof op de Psalmen

Psalm 122:1

„Ik verblijd mij onder degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan.”

Iemand schreef eens, toen hij de verzen van de Griekse dichter Euripides gelezen had, die hij hogelijk prees: „Elk vers is een orakel.” Indien ik deze lof van Euripides op David overbreng, wat zijn Psalmen betreft, meen ik niet dat mij iemand zal berispen als hij opmerkt wat een bijzondere zaken onder weinig woorden weergegeven zijn. Want, om u nu de samenvatting ervan te laten overdenken, deze Psalm leert welke de meeste vreugde voor een christen in dit leven moet zijn: de kerk en de ware godsdienst daarin zien bloeien. Hij leert welke de hoogste wens van een christen in dit leven moet zijn: te weten dat de kerk blijft in die bloei, met daarin de ware godsdienst. Hij leert welke de grootste vlijt en ijver van een christen moet zijn in dit leven: dat hij in zijn plaats –of hij onder de minsten, de meesten, of de middelsoort gerekend wordt– verzorgt hetgeen tot versiering van de kerk en tot behoud van de ware godsdienst behoort. Van deze grote zaken zal ik handelen.

„U bid ik, o heilige God, dat Gij hetgeen ik in de oren doe klinken, in de harten wilt indrukken, opdat de blijdschap van David onze blijdschap wordt, de wens van David onze wens wordt, de zorg van David onze zorg wordt.”

Abraham Scultetus, hoogleraar in Heidelberg (”Preek op de Synode van Dordrecht”, 1618)

Abraham Scultetus (1566-1624) was hoogleraar Oude Testament in de Duitse stad Heidelberg en hofprediker bij keurvorst Frederik V van de Palts. Hij was op de Synode van Dordrecht (1618-1619) de afgevaardigde van de Palts.