Liefdesband

Mattheüs 25:6

„En te middernacht geschiedde een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit, hem tegemoet!”

Wanneer de mens van zijn kant doet wat hij vermag maar niet verder geraakt wegens eigen zwakheid, dan komt het de grondeloze goedheid Gods toe het werk te voltooien. Dan komt een hoger licht van Gods genade, dat –net als een zonnestraal– onverdiend en niet naar waarde begeerd, in de ziel gestort wordt. In dit licht immers geeft God Zichzelf uit louter goedheid en mildheid, Hem die geen schepsel verdienen kan, voordat Hij het reeds bezit. Dit is een geheimzinnig inwerken Gods in de ziel, buiten de tijd om, dat de ziel met al haar vermogens beweegt. Hier begint de andere heiligmakende genade, die een bovennatuurlijk licht is. Dit licht is de eerste vereiste en hieruit ontspringt een vrije toekeer van de wil in een ondeelbaar moment van de tijd. Daaraan ontspringt dan liefde in de vereniging van God en de ziel. Deze twee punten hangen zo innig samen, dat het een niet volbracht kan worden zonder het ander. Waar God en de ziel elkaar ontmoeten in eenheid van minne, daar geeft God Zijn genadelicht boven de tijd. En de ziel geeft haar vrije toekeer uit kracht van die genade in een kort ”nu” van de tijd; en zo wordt liefde in de ziel geboren, tegelijk uit God en uit de ziel: want liefde is een minneband tussen God en de minnende ziel.

Jan van Ruusbroeck, kapelaan te Brussel (”Die geestelike brulocht”, 1335)