Liefde

2 Korinthe 5:14, 15a

„Want de liefde van Christus dringt ons, als die dit oordelen, dat indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn.”

Hetzij de wereld ons wijs of dwaas oordeelt, het is ter ere Gods en tot zaligheid van de zielen dat wij alle krachten van ons leven aanwenden. Wie dan is niet begerig om door te dringen tot die verborgen drijfveer van al deze bovennatuurlijke arbeid? Wie zou niet begerig zijn om van de lippen van Paulus te vernemen welk machtig beginsel het was dat hem tot zoveel arbeid en zoveel gevaren voortdreef? Welke toverkracht heeft zich van zijn krachtig gemoed meester gemaakt, of welke verborgen invloed van de planeten trekt hem, met onophoudelijke kracht, door alle ontmoedigingen heen, onverschillig of de wereld hem aangrijpt, zonder mensenvrees, die licht tot een uiterste wordt; onverschillig voor de spotternij van de twijfelende Athener, het gefronste voorhoofd van de weelderige Korinthiërs en voor de woede van de enghartige Jood?

Wat zegt de apostel zelf? Want wij hebben zijn eigen verklaring van dit geheim in de woorden die voor ons liggen: „de liefde van Christus dringt ons.” Dat hier de liefde van Christus tot mensen is bedoeld, en niet onze liefde tot de Zaligmaker, blijkt zeer duidelijk uit de verklaring die erop volgt, waar Zijn dood voor allen als het voorbeeld van Zijn liefde is aangewezen. Het was het gezicht op dat wonderbare medelijden van de Zaligmaker, dat Hem bewoog voor Zijn vijanden te sterven, voor al onze zonden en dood te voldoen.

Robert Murray M’Cheyne, predikant te Dundee

”Leerredenen” (1862)

Robert Murray M’Cheyne werd op 21 mei 1813 in het Schotse Edinburgh geboren. Van 1836 tot 1843 was hij verbonden aan de St. Peter’s Church in Dundee. Op 29-jarige leeftijd overleed hij aan tyfus. Grote bekendheid kreeg zijn lied ”Eens was ik een vreemd’ling”.