Kreupel

Handelingen 3:2a

„En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen...”

Petrus was met Johannes, kort na de wonderbare uitstorting van de Heilige Geest, opgegaan naar de tempel. Aan een van de poorten van de tempel, de Schone Poort, vonden zij een man die ongelukkig was. Hij was arm naar de wereld. Hij was een bedelaar en hij was kreupel. En wel zo kreupel dat hij nog geen voet gaan kon. Zo was hij vanaf zijn geboorte geweest. Hij kon niet met een stok lopen of op twee krukken springen, maar moest door zijn vrienden van de ene plaats naar de andere gedragen worden.

Ziet eens wat een arme, ongelukkige man! Vrienden heeft hij waarschijnlijk ook maar weinig gehad, want het is waar: de liefhebbers van de rijke zijn vele, maar de arme wordt zelfs van zijn vriend gescheiden. Geld of goed had hij helemaal niet, want hij was een bedelaar. Voeten om te lopen, zoals wij, had hij ook niet.

Of hij genade in zijn hart had en of hij gaarne in de tempel God zou gediend hebben, dan of hij zich genoegzaam tevreden stelde om jaar uit jaar in aan de deur te zitten om geld te verzamelen, dat kunnen wij moeilijk beslissen. Hoe het ook zij, hij had een gelukkige dag aan deze Schone tempelpoort: hij vroeg om een aalmoes en kreeg veel meer dan hij vroeg, want hij werd door Petrus en Johannes genezen.

Wulfert Floor, oefenaar te Driebergen (”Al de eenvoudige oefeningen”, 1913)