Kom en geloof

Jesaja 55:1a

„O alle gij dorstigen, komt tot de wateren.”

De allereerste begeerte naar Christus en Zijn Geest is niet iets dat traag of ledig, maar iets dat bezig is, en dat met vele bewegingen van het hart gepaard gaat. Het lichamelijke komen bestaat daarin, dat men de plaats waarin men zich tegenwoordig bevindt verlaat en gaat naar de plaats waarheen men wil. Zo moet ook de ziel die tot de Fontein des levens komen wil, persoonlijk uitgaan en de dienst der zonde –vooral die waartoe zij het meest genegen is– verlaten. Men moet niet alleen alle onreine poelen van aardse wellusten de rug toekeren, maar ook alle zelf uitgehouwen en gebroken bakken van eigengerechtigheid en vromigheid verlaten.

Daarentegen moet men zich tot het aangezicht van Jezus Christus wenden en zich aan Hem overgeven. En dan net zo lang aanhouden in kermen, bidden en smeken om Zijn Geest, tot men Hem deelachtig geworden is. Men moet geloven en het komen tot Christus, dat in het begin met veel vreze en twijfeling gepaard gaat, als twee kanten van dezelfde zaak zien. Met een zoet vertrouwen dat Hij ons niet ledig van Zich zal wijzen, noch ons op de weg zal laten versmachten.

Johann Jakob Rambach, theoloog in Giessen (”Voorbeeld en tegenbeeld”, 1763)