Kerkelijke strijd

Micha 7:9a

„Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.”

Hoe gelukkig zijn de zielen van ons voorgeslacht, die God uit het dal der ellenden in Zijn eeuwige rust heeft gebracht opdat zij ons verderf niet zouden zien! Wat zijn wij daarentegen ellendigen. Dagelijks moeten we toezien hoe de zuivere leer verdrukt en teneergeslagen wordt door gedurige regenplassen en stormen van twisten. Vanwege deze oproerige verdeeldheid horen we dagelijks de zeer bittere bespotting en het verwijt van onze vijanden aan. Ik wil deze klacht niet inbrengen alsof ik de gebreken van anderen wel waarneem en de mijne niet zou opmerken. Mijn zwakheden ken ik zeker, ik reken ook mijzelf tot degenen die met hun zonden Gods gramschap tegen ons land hebben verwekt. Ik ben bovendien niet zo verstokt van hart dat ik mijn klachten zou kunnen matigen of bedwingen vanwege de publieke, zeer zware straffen en kastijdingen van onze zonden, die ik overal in onze kerken verneem. Laten we onze twisten bewenen bij God, de Vader der barmhartigheden. De blakerende brand van onze twisten heeft de toorn Gods aangestoken. Laten we die twisten bewenen met een vloed van tranen die tot in de hemel rijst, in de bede dat God dit vuur wil uitblussen.

Johannes Polyander, hoogleraar in Leiden

(”Preek over Jesaja 52:7”, 1618)