Jezus geslagen

Deuteronomium 28:22

„De Heere zal u slaan.”

Daarom staat er ook in Galaten 3:13 van Hem dat Hij aan het hout een vloek geworden is. In Deuteronomium 28 staat viermaal: „De Heere zal u slaan.” Zo heeft Jezus Christus deze slagen in onze plaats geleden. Zo staat in vers 65: „De Heere zal u geven een mattigheid.” Dat is een troosteloosheid en bedroefdheid der ziel. Hij heeft die vloekslag zodanig gevoeld dat Hij in Mattheüs 26:38a moest uitroepen: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.”

Die rotssteen werd in die tijd geslagen, toen het ganse Israël tegen de Heere en Zijn dienstknecht Mozes in opstand was. Daardoor had het volk allerminst deze grote weldaad verdiend. Juist op zodanige tijd is ook de Rotssteen des heils van God geslagen en in een fontein der levende wateren veranderd. Israël beging toen de grootste zonde. Het scherpte zijn tong tegen de Allerheiligste. Ja, het behandelde zelfs de Rotssteen des heils smadelijk en verachtelijk. Desniettegenstaande werd er zo’n genadeweldaad voor hen toegericht.

Die Rotssteen werd geslagen in de tegenwoordigheid van de oudsten van Israël, die daar als getuigen bij tegenwoordig waren. Het is ten hoogste merkwaardig dat de oudsten van het volk, hun Schriftgeleerden en oversten, mede onder het kruis van Jezus Christus stonden en toezagen hoe deze Rotssteen des heils geslagen en verdrukt werd (Mattheüs 27:41; Lukas 23:35).

Johann Jakob Rambach, theoloog in Giessen (”Voorbeeld en tegenbeeld”, 1763)