Israëls toekomst

Hosea 3:5a

„Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken de Heere, hun God, en David, hun Koning.”

Och, dat het Israël naar het vlees nog heden in deze dag mocht bedenken wat tot haar vrede en behoud dient! Och, dat ze nog heden in deze dag uit hun ogen mochten zien, en letten op de tekenen der tijden: wat niet alleen aan de komst van de Messias moest voorafgaan, maar ook alles wat op Zijn komst moest volgen in Jezus van Nazareth is vervuld, en dat Hij daarom de ware en door God beloofde Messias is. Mogen zij zo in deze laatste dagen, door het geloof in Jezus de Messias, komen tot de Heere en Zijn goedheid (Hosea 3:5). Om met de gelovige Jafethieten en Semieten te wonen in de tenten van Sem, vrij van alle last en dienstbaarheid, om God te dienen door het geloof, in Geest en waarheid, „zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen huns levens” (Lukas. 1:74-75).

Zeker, de Heere zou Zich over hen ontfermen, en Hij zou hen als de natuurlijke takken in de natuurlijke wortel wederom inenten: „Want God is machtig die weer in te enten” (Romeinen 11:23). Want het is betamelijk geweest, vanwege de rijkdom van Gods goedertierenheid, om Zich te ontfermen over de heidenen. Veel meer zal de Heere Zich ontfermen over Zijn volk, dat Hij tevoren gekend heeft en bemind om der vaderen wil, zodat het niet blijft in het ongeloof.

Fridericus Ragstat à Weille, predikant te Spijk

(”Noachs profetie”, 1685)