In Jakobs tenten

Numeri 24:5

„Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël!”

Er zijn de heidenen, die afgehouwen zijn „uit de olijfboom die van nature wild was”, tegen de natuur „in de goede olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen dezen, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden!” Zo zegt Paulus, de heilige apostel, dit zeer goed (Romeinen 11:24). En door hun aanneming zou de overige menigte dode heidenen opgewekt en levendgemaakt worden, om ook te wonen in de tenten Sems en te genieten met alle uitverkoren Semmieten en Jafethieten de zegen en vrijheid die is in de tent van Sem. Want hun aanneming (zegt Paulus) zal zijn als het „leven uit de doden” (Rom. 11:15). Maar verder, Jafeth zal in Sems tenten wonen, zegt Noach.

Zo ziet men dan de uitnemende voortreffelijke heerlijkheid van Sems tenten, want het wordt hier als een zegen van Noach over Jafeth uitgesproken en als een grote gelukzaligheid die Jafeth zal genieten voorgesteld, dat hij namelijk in Sems tenten zal wonen. Wij mogen met verwondering van Sems tenten zeggen, evenals eertijds Bileam zei als hij zijn aangezicht stelde naar de woestijn en Israël zag wonen in haar tenten, in een zeer heerlijke orde naar zijn stammen: „Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël!” (Numeri 24:5). Want „de Heere is in deze plaats”; ja, „hier is Gods huis, en dit is de poort des hemels” (Genesis 28:17).

Fridericus Ragstat à Weille, predikant te Spijk (”Noachs profetie”, 1685)