Hoort en gelooft

Psalm 117:1

„Looft de Heere, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën!”

U weet, de Joden beroemen zich erop, dat zij alleen Gods kinderen en erfgenamen van de hemel zouden zijn vanwege de lichamelijke afstamming van Abraham en de heilige aartsvaders, koningen en profeten. Waar is het, dat zij alleen onder alle mensen de eer genieten kinderen te zijn van zulk een heilige Vader. Maar de eer van kinderen te zijn van God en erfgenamen van Zijn hemelrijk is niet alleen voor hen weggelegd: integendeel, deze psalm zingt en getuigt ervan, dat deze eer ook ons, heidenen, te beurt valt. Immers, wanneer alle heidenen God zullen moeten loven, dan moet van tevoren vast staan, dat Hij ook hun God geworden is. Zal Hij hun God zijn, dan moeten zij Hem kennen en aan Hem geloven en alle afgoderij laten varen, aangezien men God niet kan loven met een afgodische mond of met een ongelovig hart. Zullen zij geloven, dan moeten ze tevoren Zijn Woord horen, om daardoor de Heilige Geest deelachtig te worden, die hun harten door het geloof reinigt en verlicht. Want men kan tot het geloof niet komen, noch deel krijgen aan de Heilige Geest, wanneer niet tevoren het Woord wordt gehoord, zoals Paulus zegt in Rom. 10: „Hoe zullen zij in Hem geloven van Welken zij niet gehoord hebben?” En in Galaten 3: „Gij hebt de Geest ontvangen door de prediking van het geloof.”

Maarten Luther, hoogleraar in Wittenberg (”Uitleg van Psalm 117”, 1518)