Het is al ijdelheid

Prediker 1:2b

„IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.”

Waarom hebt u de ijdelheid lief en zoekt u de leugen? (Ps. 4:3) Het lijkt mij dat de dichter hier zowel de afgodendienst bedoelt als het leven in de zonden. Want hij zou die zaken onterecht ijdel noemen, wanneer het slechts een term, maar geen echte zaak is. Zo hebben de Grieken een massa godennamen, maar de goden stellen zelf niets voor. En met betrekking tot de andere zaken is het precies zo. Zo bestaat de term ”rijkdom”, maar de zaak betekent niets. De term ”roem”, maar de zaak zelf is zonder betekenis. De term ”heerschappij”, maar het blijft alleen maar een term. Wie is zo dwaas om termen na te streven die niets voorstellen? En de ijdele dingen na te volgen die we juist moeten ontvluchten? Zijn de vreugden des levens en onze successen niet vergelijkbaar? Liegen en bedreigen ze niet in alle opzichten allemaal? Zelfs als je roem rijkdom en eer (alleen nog maar) zou noemen, dan zijn het toch allemaal uitingen van ijdelheid? Daarom zei ook de Prediker: „IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” Daardoor leed de profeet dus ook verdriet, omdat hij zo’n grote tegenstrijdigheid zag in het leven. Zoals wanneer iemand, als hij een ander het licht ziet ontvluchten en de duisternis achterna ziet jagen, zegt: „Waarom doe je zoiets onlogisch, dat tegen alle verstand indruist?”

Johannes Chrysostomus, priester te Antiochië

(”Homiliën”, ca. 390)