Heidens geloof

Psalm 4:8

„Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.”

Wanneer God ervoor zorgt, dat de oogst iets minder is, toont Hij opnieuw hierin Zijn voorzienigheid, omdat Hij de zorgeloosheid van de massa uit haar slaap haalt en hen allen opwekt ook die goede zegeningen van Hem te verwachten. Als sommigen misschien zeggen, dat het niet bij God past om een regenbui te geven, maar bij de afgoden, laten we hun dan vragen waar dat duidelijk door wordt. „Omdat de dichters hebben gezegd”, zegt men (dan), „dat Zeus (Griekse hoofdgod) de regen geeft.” Maar dan zeg ik: „Diezelfde dichters hebben ook gezegd dat Zeus een echtbreker en een kindermoordenaar is, eentje die de hand aan zijn vader slaat en (noem) nog andere beschuldigingen, die niet minder zijn dan de juist genoemde zaken.” „Jawel”, zegt men dan, „maar die zijn niet waar.” Dan is dat regenen kennelijk ook niet waar. Want als je het ene aanneemt, dan moet je ook het andere aannemen. Maar als je die andere verhalen van de hand wijst, dan is ook dat regenverhaal natuurlijk niet waar. Wanneer wij –op onze beurt– getuigen en de macht van onze God aanvoeren, dan geloven wij alles wat die getuigen van onze God zeggen. Dan is het ook consequent –op uw beurt– om Zeus als echtbreker te aanvaarden, alsook al die andere dingen die men over hem zegt.

Johannes Chrysostomus, priester in Antiochië (”Homiliën”, ca. 390)