Heidenen

Psalm 117:1

„Looft de Heere, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën!”

Ik zie en leer dagelijks hoe de geliefde profeten zich in de Tien Geboden hebben geoefend en waaruit hun predicaties en profetieën opwellen en stromen. Zo willen wij nu bij deze Psalm vier delen onderscheiden, namelijk een profetie, een openbaring, een lering en een vermaning.

„Looft de HEERE, alle heidenen”, zo zegt de Psalm, en zo profeteert en verkondigt deze het grote werk en wonder van God, namelijk het evangelie en het Rijk van de Christus, dat terzelfder tijd beloofd, maar nog niet geopenbaard was. Want met deze woorden is immers niets minder gezegd dan dat God niet alleen de God van de Joden is, maar ook van de heidenen, en dan niet van een klein deel van de heidenen, maar van alle heidenen, zo wijd de wereld is. Want wie alle heidenen noemt, sluit er daarbij niet één uit. Daarmede worden wij, heidenen, ervan verzekerd dat ook wij tot Gods kinderen behoren, die de hemel kunnen binnengaan en die niet zullen worden verdoemd, al zijn we dan niet van Abrahams vlees en bloed in de letterlijke zin van het woord.

Maarten Luther, hoogleraar in Wittenberg (”Uitleg van Psalm 117”, 1518)