Hartezaak

Ezechiël 36:26a

„En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u.”

God heeft Zich verbonden Zijn wet in het hart van de mens te stellen, Zijn vrees in hun hart te geven, hen te bewaren bij Zijn wet en Zijn Geest in hun binnenste te stellen, om hen te doen wandelen in Zijn inzettingen. Hij heeft beloofd de priesters met vettigheid dronken te maken en de zielen van Zijn volk met het goede te verzadigen, hen gedurig te bewaren, en elk ogenblik te bevochtigen als een gewaterde hof (Ezechiël 36:26,27; Jeremia 32:39,40; 31:12,14,33; Jesaja 27:3). Omdat Hij aangezocht moet worden om al deze dingen te doen aan ons, zo verbindt Hij zich om de Geest der genade en der gebeden over hen uit te storten en hen te leren hoe zij deze dingen moeten zoeken en zich zullen aanzetten, opdat Hij hun dit alles doe (Zacharia 12:10). Vervolgens wordt het nieuwe schepsel (ik sta dit toe ter voldoening der zwakkeren), zoals het door ons beschreven is, niet in al zijn verschijnselen gevonden in ieder begenadigde. Maar toch is het deugdelijk en goed, indien het volgende gevonden wordt: dat er een nieuw mens is! Minder kunnen wij niet toestaan. Want indien iemand in Christus is, dan moet in hem een nieuw schepsel zijn, en dat is: de nieuwe mens, die allen moeten aandoen die tot zaligheid van Christus geleerd zijn (Efeze 4:21-24).

William Guthrie, predikant te Fenwick

(”Des christens grote interest”, 1668)